U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 2.

(tweewekelijks)

II.

De kunst van het weglaten. 

Bij toneelgroep Globe speelden we in zalen die enorm in grootte verschilden en zeker technisch gezien. Van patronaatsgebouw, bioscoop tot theater werden onze voorstellingen verkocht. Dat vergde de nodige flexibiliteit van eenieder van ons, maar dat niet alleen ook met de decors moest daar rekening mee worden gehouden. Zo hadden we première in de stadsschouwburg in Eindhoven, in de jaren zeventig het theater met het grootste toneeloppervlak en achtertoneel en een dag later stond je in Sneek bij ‘Amacitia’ waar het toneel niet groter was dan het laad- en losperron van Eindhoven. Dat hield in dat we bij het laden van de decors en rekwisieten rekening moesten houden hoe we de spullen in de decorauto zetten. Het kwam ook wel voor dat we de speellijst naliepen en sommige decorstukken gewoon in Eindhoven lieten staan omdat we die tot onze volgende voorstelling daar in het geheel niet konden gebruiken. 

Dick Heinz tijdens belichten “Stilte aan de andere kant van de heg”.

Dick Heinz was op dat punt een meester van de improvisatie en had als lijfspreuk: “Inspiciëren is de kunst van het weglaten!”

Het kwam door die optiek van hem wel voor dat er op de première al heel wat decor en zeker rekwisieten waren afgeschminkt. Zo herinner ik me dat we bij de voorstelling “Spoken” van Ibsen een toogvak3 hadden dat in “’t Spant” te Bussum strak tegen de trekkenzolderiv aan zou staan. Voor de grotere en hogere theaters werd er een flink friesvakv
bovenop gemonteerd. Tijdens de generale week van die voorstelling in Oss liet Dick tijdens de opbouw al een nachtblauw achterdoek of fond in de eerste trek voor dat friesvak knopen en kregen we als opdracht om iedere repetitiedag bij binnenkomst dat doek een 15 centimeter voor dat vak te laten zakken. Op de dag voor de première was er nog zo’n vijftig centimeter van het friesvakte zien, maar op de première zelf was het helemaal aan het zicht onttrokken.
Ieder van ons was na binnenkomst even het toneel op geweest en had het doek iets laten zakken. Niemand heeft het opgemerkt en het vak is in Oss achtergebleven en men zal het daar wel zijn gaan gebruiken bij de amateurvoorstellingen die daar waren.
In “Stilte aan de andere kant van de heg” van Eric Schneider stond een Volkswagenbus op het toneel. 

Deze was volledig gestript, maar was zelfs met acht man nog bijna niet te tillen. Dit attribuut was helaas niet af te schminken, daar was het te belangrijk voor in de voorstelling. Wij moesten met deze voorstelling natuurlijk ook naar “Amacitia” in Sneek en om bij het toneel te komen, moest je eerst door een smalle steeg. De bus kon daar niet door en daarom was hij over de lengte doormidden gesneden. 

Hij stond voor het gemak achter in de trailer en moest er als eerste uitgetild worden en op straat uit elkaar worden gehaald. 

Dat was een kwestie van een stuk of tien bouten losdraaien, maar daardoor kreeg je wel twee onhandelbare stukken te tillen door een smalle steeg. 

Bij het toneel moest je hem ruim een meter opsteken en had je nauwelijks ruimte om de draai naar het toneel te maken.
Het decor dat erbij hoorde was te hoog om op het toneel te kunnen staan en bleef die dag in de wagen. 

Een deel van de praktikabels die bij het decor hoorden konden wel geplaatst worden en met de afstopping werd de suggestie van het weggelaten decor gewekt. 

De belichting in Sneek was minimaal en de chauffeur van Kat was, vóór hij het decor in Eindhoven ging laden, al langs het Van Nispenhuis in Amsterdam geweest om extra licht op te halen om de suggestie van een heet Toscane te kunnen suggereren.
Zalen, zoals ‘Amacita’, waren veelal bioscoopzalen en hadden nagenoeg geen licht. Als ze al wat hadden dan werd dat licht bediend met draaitravo’s. Een zaalbrugvi ontbrak vaak, maar soms had men in de zaal uitsparingen in het plafond gemaakt van waaruit vijf of zes ‘boze ogen’, zoals wij die schijnwerpers noemden, waren opgehangen. Schijnwerpers die je soms nog wel groter of kleiner kon zetten, maar waar je geen ruimte had om naar links of rechts over te steken. Zodra je dat wilde doen dan sneed de lamp af op de lambrisering waar ze achter weggewerkt waren. In dit soort zalen moest je dus vaak eigen materiaal inzetten. 

Daarbij liep je dus ook vaak tegen de grenzen aan van de elektriciteitsvoorziening. Met paszekeringen de elektriciteit opschroeven had ook zijn beperking wat betreft de dikte van de bekabeling in dit soort zalen. Kortom er moest altijd behoorlijk worden geïmproviseerd. 

Peter Bijl had opdracht om in de zaal wat extra licht op te hangen en omdat daar geen mogelijkheden voor waren, was hij met een kledingrek uit de vestiaire onderweg naar het balcon. Onderweg werd hij door de directeur aangesproken over dat feit dat hij ongevraagd de zaak aan het verbouwen was. Peter verwees hem naar Dick Heinz op het toneel en ging onverstoorbaar door met zijn verbouwing en haalde ook nog een tweede rek op. 

Het gesprek tussen de directeur en Dick Heinz heeft ook niet lang geduurd, want de consequentie was dat er ’s avonds geen voorstelling zou zijn en de directeur zijn publiek naar huis moest sturen. Er heeft die dag nog een tweede gesprek plaats gevonden tussen Dick en de directeur en dat was tegen het eind van de middag toen we klaar waren met het bouwen en belichten en we op het punt stonden om te gaan eten. 

De directeur werd er toen fijntjes op gewezen dat hij tijdens de voorstelling geen koffieapparaten aan mocht zetten, want anders zou de hoofdzekering het kunnen begeven. Koffiezetten voor de voorstelling en dan maar hopen dat deze in de pauze nog warm en te drinken zou zijn. In geval we een theater troffen waar bijna geen decor kon staan of waar we met personeel te maken kregen die er geen zin in hadden dan was een andere, altijd ter plekke gebezigde opmerking: “Iedere stad krijgt de voorstelling die het verdient!”
Achteraf heb ik er wel spijt van dat ik nooit aantekening van zijn opmerkingen heb gemaakt, want hij had altijd overal wel een uitdrukking of opmerking paraat. Wat me van hem vooral is bijgebleven is het feit dat hoe rot een opbouw ook verliep of hoeveel decor we niet neer konden zetten het publiek ’s avonds altijd de indruk had dat ze naar een volledige voorstelling keken. 

Omdat er na de pauze in “Stilte aan de andere kant van de heg” een moment was op het toneel dat het heel erg warm was, moest dat ondanks de beperkte middelen toch worden gesuggereerd. Er hing daarom meer licht in de kap dan dat er was gezekerd en dat hoefde maar hooguit vijf tot tien minuten vol belast te worden. 

Om in dit soort gevallen uitkomst te bieden bezat de gereedschapskist van Globe drie flinke schroevendraaiers met houten handvatten en een paar hardhouten wiggen. 

De zekeringen en de passchroeven in de zekeringhouder werden in dat soort gevallen vervangen door er de schroevendraaiers met de wiggen in te zetten en daarna weer op spanning te zetten. De toneelmeester zal zich zo’n avond niet al te goed hebben gevoeld, want die zag allemaal al voor zich dat hij de bedradingen van zijn pand kon gaan vervangen. 

Dat was echter niet het geval en zoals ik al eerder schreef; Dick Heinz wist altijd wel tot de grenzen van de mogelijkheden te gaan. Ik heb in die tijd nooit meegemaakt dat hij over zijn grenzen ging. Trouwens ook nooit gehoord dat hij dat later wel zou hebben gedaan. 

Op het kantoor van Globe en met name bij onze chef technische dienst Jan Kreukniet werd met belangstelling uitgekeken naar de voorstelling van “Stilte aan de andere kant van de heg” in Gouda, want daar kwam je met je decor op het toneel via een brede trap van, in mijn herinnering, 24 of dertig treden. Ik heb Jan een behoorlijk aantal keren aan Dick horen vragen of we die klus konden klaren. Vergeet ook niet dat alle vijf de technici inmiddels rugproblemen hadden.

Dick stelde daarop altijd de wedervraag; “Jullie op kantoor willen toch heel erg graag dat we daar spelen?”
Hetgeen altijd positief met “Ja” werd beantwoord en Dick dan zei; “Dan spelen we daar.” 

Op de dag van de voorstelling om kwart voor tien reed Martin Vos, chauffeur bij de firma Kat, de trailer achter de schouwburg bij de trap van het toneel en met hem kwam er een takelwagen voorrijden. Ik denk dat het ongeveer half elf die morgen was toen er vanuit Amsterdam telefoon kwam voor Dick Heinz. Jan Kreukniet met de belangstellende vraag; “Hoe gaat het?” 

“Prima Jan, we zijn met het licht bezig”.
“Ja, maar hoe zit het met de bus?”
“Die staat op zijn plek, anders zouden we nog niet met het licht bezig kunnen zijn.” 

Het is jammer dat we Jan zijn gezicht niet hebben kunnen zien toen Dick hem ook vertelde dat er nog een rekening naar de Stadhouderskade zou komen voor het in en uit takelen van de bus. Maar ja, dat was nu eenmaal de consequentie van een voorstelling in Gouda. 

Zij wilden dat. 

Martin Wagenaar, 12-10-2020

Discussion

One Response to “Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 2.”

  1. Super!

    Posted by Yo | 21 oktober 2020, 20:39

Post a Comment

Archief