U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 19.

Werkonderbreking bij Het Nationale Ballet. 

In 1974 bestond de toneelverlichting uit flink grote belichtingsarmenturen. Dat had te maken met het feit dat het behuizingen voor gloeilampen waren. Die 1 en 2Kw gloeilampen waren enorm groot en daardoor waren de behuizingen ook groot. Daardoor konden er in de portaalbruggen boven het toneel ook niet veel schijnwerpers hangen. De rest van het licht op toneel werd dan ook aangevuld met herzbakken die over de breedte van het toneel hingen met daarin vaak de kleuren blauw, rood, geel en wit. Daarmee kon je de totaalbelichting wat gelijkmatiger maken en de benodigde sfeer versterken. Voetlichten waren toen inmiddels al niet meer in zwang. Al heeft een toneelmeester in Gorkum mij in 1982 nog geprobeerd over te halen om ze te gebruiken. 

In de tweede helft van 1970 werden de gloeilampen langzaam vervangen door halogeenlampen. Dat vergde nogal wat ombouw van de schijnwerpers en daar is door de lampenleveranciers ook nog wel aardig aan verdiend. Niet alle schijnwerpers leenden zich voor die ombouw sets en veel van de zinkenvuilnisbakken grote schijnwerpers werden vervangen. In de zaal en portaalbruggen konden toen ook meer schijnwerpers worden geplaatst en werd de vraag naar meer dimmers en stuurtafels groter. 

In Haarlem en Amsterdam stonden de eerste computergestuurde lichttafels van ASEA. Enorme kasten waren dat. 

De lichtcabine stond van wand tot wand stijf vol. De lichtstanden werden weggeschreven op ponskaarten en dat had tot gevolg dat je eigenlijk nog heel beperkt was in de uitvoering van het licht. Zo’n ponskaart moest met de hand de machine ingedraaid worden. Je kon dus niet tien of twintig lichtstanden in 30 seconden laten lopen. De rest van Nederland had nog gewoon handtafels om het licht te bedienen. Met een beetje geluk hadden ze de mogelijkheid van voorinstellingen en anders had je niet meer dan twee lijnen. Ieder theater had zijn eigen wijze van het optekenen en uitvoeren van lichtstanden. Zat er tijdens het standen maken één man in de lichtcabine dan duurde het in sommige gevallen wel heel erg lang. Een stand werd dan eerst helemaal met de faders ingeschoven en die moest dan nog eens met de hand worden genoteerd. 

Ook was het sterk afhankelijk van degene die de stand bepaalde. Als je een inspicient had die zeker van zijn zaak was, dus vroeg om de ene lamp op 60 te zetten en de andere op 80 en zo zijn hele stand opbouwde dan zat de man op de lichtkast vaak al op zijn standenlijst de sterktes in te vullen. Sommigen hadden ook de gewoonte om de inspicient te vragen; “Wat zeg je? Tachtig? Dat leverde hem tijdwinst op om mee te schrijven. Had je echter een belichter die aan het eind van zijn opnoeming alles nog weer eens ging veranderen. Bijvoorbeeld; “Neem de 30, 32, 34, 68, 64 en 60 maar tien graden terug.” Dan was het noteren “tijdens” snel over en werd het pas geschreven op het moment dat er werd gezegd, “schrijf hem maar”. 

Bij Het Nationale Ballet hadden we voor ons eigen licht een 48 kringen ADB-lichttafel met tweelijnen met A en B-mogelijkheid, zodat je een stand met een volgende kon aanvullen. Tevens hadden wij daar horizontaal bovenop een 48 kringentafel met drie lijnen. Je kon dus als het meezat in de opeenvolging van de standen soms zo zes tot acht standen voor werken. 

Bij sommige balletten hadden we dan nog vaak als kammetjes geknipte kartonnen om handmatig nog faders bij te schuiven. 

Instudering “De Groene Tafel” bij Het Nationale Ballet door dochter van Kurt Jooss, links op de voorgrond.

Een heel lastig ballet om te doen en waar je heel goed je kop bij moest houden was “De Groene Tafel” van Kurt Jooss. Het is een ballet waarin afwisselend satirische scènes van vergaderende hoge heren en de taferelen van een verwoestende oorlog te zien zijn. Een manifest tegen de vernietigingsdrift van de mens. Jooss heeft het waarschijnlijk vooral gemaakt als een aanklacht tegen het voeren van oorlog. Het laat zien hoe diplomaten aan de onderhandelingstafel zelf buiten schot blijven en dat de Dood de enige echte overwinnaar is. Jooss heeft zich vooral laten inspireren door afbeeldingen van Middeleeuwse dodendansen. De Groene Tafel was een redelijk kort ballet, denk rond de twintig minuten, met zo’n zestig lichtstanden waarvan geen enkele stand leek op de ander. Ik herinner me een voorstelling hiermee in het Circustheater in Scheveningen. Omdat het toneel te smal was om een lichttafel neer te zetten, de poten links en rechts liepen tot tegen de muur en trekkenwand, stonden we altijd op de gang bij de kleedkamers. Meestal met onze rug tegen de deur van de bezemkast van het theater. 

Tien minuten voor aanvang zat ik me voor te bereiden op ‘de groene tafel’ en mijn chef kwam net binnen van het eten. Sommige mensen verkeerden in de positie dat ze dat konden maken. Zoals zo vaak als hij niet met ons was gaan eten, had hij weer ergens een supertent ontdekt waar je voor ‘weinig’, altijd beter en goedkoper dan wij, de maaltijd had genuttigd. Nu was dat soort gezwets niet zo erg, maar hij had daarbij meer gedronken dan hij aan kon. Dat werkt niet bepaald ontspannend als je een lastige voorstelling hebt te doen. Kort en goed was ik hem aardig zat. Opende de bezemkast en heb hem erin geduwd, mijn rugleuning klemgezet onder de deurkruk en na vijf minuten hielden zijn pogingen tot aandacht trekken op. In het daaropvolgende changement op toneel heb ik nog even in de kast gekeken en daar lag hij op de grond tussen de bezems en trekkers zijn roes uit te slapen. 

Ondertussen werd er aan iedereen gevraagd of Jan was gesignaleerd, maar niemand had hem gezien. Toen de laatste decorstukken en lichtkisten van de toneelvloer naar de vrachtwagen werden neer getakeld heb ik de bezemkast geopend en verbaasd geroepen; 

“Verrek man, zit je hier! We hebben je de hele avond al gezocht.” 

In onze technische bus, Mercedes 508 met 8 vliegtuigstoelen, naar Amsterdam was het die avond van zijn kant redelijk stil. Er werd met geen woord meer over gesproken, maar ook deze chef leek het daarna niet helemaal meer met mij te hebben. Dat zou nog erger worden. Voor ons eigen belichtingsmateriaal was een AVAB-lichtcomputer aangeschaft en om die onder de knie te krijgen stond hij in een ongebruikte kleedkamer in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Op de dagen dat we niet waren ingeroosterd voor een voorstelling konden we op die kast oefenen. Daarvoor was een lichtbak gemaakt met 36 lampen. Zes onder en zes naast elkaar en vertikaal per zes gekleurd. 

De Zweedse instructeur van AVAB, die ons de instructies had gegeven voor de stuurtafel, had ons als opdracht gegeven om op die kast een looplicht te programmeren van ons gezelschap; HET NATIONALE BALLET. Dat zijn behoorlijk wat lichtstanden die je dan moet maken. We hadden ieder van ons een eigen floppydisk (google maar om te weten wat dat is) om de standen op weg te schrijven.

Ik was op een dag met een collega, weet niet precies meer met wie al heb ik een bruin vermoeden, in die kleedkamer en we vonden de floppy van onze chef. Ik denk dat hij met zijn looplicht was bij ‘HET NATI . . . ’. 

We hebben dat toen gewist en het volgende als looplicht geprogrammeerd; KLOOTZAK. Reactie daarop hebben we nooit gekregen.

Op een bepaald moment zouden we de AVAB-tafel in gebruik gaan nemen en dat zou gebeuren in Sittard. Daar zouden we op dinsdagavond een voorstelling hebben en er was geregeld dat we op maandagavond de voorstelling zouden kunnen lossen en zouden kunnen bouwen. Op dinsdagochtend en middag zouden we dan tijd hebben om de standen te programmeren. 

Op maandagochtend zouden we om tien uur de trailer gaan laden en dan ’s middags afreizen naar Sittard, eten en om 19h00 de auto lossen en beginnen met opbouw. Echter het was 1980 en de ambtenaren hielden werkonderbrekingen. Er was die dag een bijeenkomst in de RAI en het personeel van de Stadsschouwburg was ambtenaar en zij hielden tot 14h00 een werkonderbreking en hadden de poort naar het los- en laadplatform op slot. Jan Hofstra was woedend en bewoog hemel en aarde dat de poort los moest. Persoonlijk was ik van mening dat het schouwburgpersoneel het grootste gelijk van de wereld had. En vond het ook volkomen verkeerd om te eisen dat de poort los moest, want je creëert een enorme klote sfeer met het personeel van de schouwburg. Jongens die ons week in week uit hielpen om van alles voor ons te doen. Ik besprak dat met mijn collega’s en het merendeel was het eigenlijk wel met me eens. Kortom; ik was degene die Jan vertelde dat we solidair met ze waren en ook pas ’s middags om twee uur bereid waren om de trailer te laden. 

“Dan ga je het Anton (Gerritsen) ook zelf maar vertellen”. Dat hebben we gedaan. 

We vielen een vergadering binnen en hebben verteld wat er speelde waarop Anton vroeg of we het op papier wilden zetten en door ieder van ons laten tekenen. Met Roderick van Gelder heb ik toen de tekst opgesteld. We zijn daarop met het personeel van de Schouwburg in optocht naar de Rai gelopen. 

Er was die dag geen vergunning afgegeven voor een protestmars naar de Dam omdat men ook bang was voor krakersrellen, maar de voorman van de FNV Herman Bode sprak daar de historische woorden; 

“Willen we naar de Dam? Dan gáán we naar de Dam!” 

Herman Bode 1980.

Zo gingen we met zijn allen lopend richting de Dam, bij de Nederlandse Bank sloegen wij met het schouwburgpersoneel linksaf richting de Stadsschouwburg. Om 14h00 waren we weer aanwezig. Een trailer hoefde niet te worden geladen, want het bleek dat de voorstelling inmiddels was verplaatst om redenen die in Sittard lagen. 

De leden van de technische ploeg van het Nationale Ballet waren eerder persoonlijk ambitieus dan collegiaal. Ik hoorde later via via terug dat het vooral door mij kwam dat een aantal collegae aan de onderbreking hadden meegedaan. Alsof ik ze het mes op de keel had gezet. Ik heb die collegae ook nooit meer gesproken dus ik weet ook niet of ze hun ambities uitbetaald hebben gekregen. 

In de Stadsschouwburg heb ik altijd met veel plezier gewerkt. Ik denk daar ook nog vaak aan terug. 

Beeldscherm in de tafel van de voorstellingsleider in de Stadsschouwburg van Amsterdam (1978).

Op de persoonlijke pagina van de Theater Encyclopedie treft u een heel overzicht van de tot nu toe gepubliceerde theaterverhalen zoals die hier op mijn blog zijn verschenen. De link hieronder geeft u direct toegang.

https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Martin_Wagenaar

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief