U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 3.

Randstad boven de provincie. 

Ik ben natuurlijk ooit bij het toneel begonnen en was wat dat betreft ook zo groen als gras. De periode bij “Globe” was alles nieuw en ik keek mijn ogen uit. In de voorstelling “Suiker” van Hugo Claus werd door de acteurs zo af en toe lustig geschmierd. Wel was er een aantal theaters waar ze dit beslist niet deden en dat was wel opvallend. Er was een duidelijk een verschil in de voorstelling als we in de randstad speelden of ergens in de provincie. 

Ontwerp affiche; Nicolaas Wijnberg

De allerlaatste voorstelling van “Suiker” speelden we in de Rotterdamse Schouwburg en techniek en de acteurs hadden de gewoonte om bij de laatste voorstelling grappen met elkaar uit te halen. Tassen en of koffers waar acteurs in de voorstelling vanaf het toneel mee moesten vertrekken, werden vaak met gietijzeren kluiten, die als tegengewicht werden gebruikt om decors te changeren, in tas en of koffer gedaan. 

Een acteur die dan met tas of koffer het toneel moest verlaten, kon dan vaak maar met moeite van het toneel. 

Bij “Suiker” hadden we geen koffers of tassen, maar in één van de scènes kwam Piet Römer met een baal suiker op en riep dan; “Kijk jongens, suiker!!!” en hield de baal dan boven zijn hoofd. Die zak was gevuld met rijstkorrels en wij hadden het plan opgevat om die zak lek te steken. Piet Römer was zich terdege bewust dat hem die laatste voorstelling ook iets boven het hoofd hing. Hij had eerder laatste voorstellingen gespeeld en daarom controleerde hij tijdens de voorstelling regelmatig zijn baal suiker. Op het laatste moment leidden wij hem even af door een grap te maken over zijn voetbalclub Ajax en in de tussentijd stak Ron Weerden met een mes de nodige gaten in de zak. We stonden Piet ook een beetje in de weg in zijn loop naar het toneel, zodat hij geen laatste controle meer kon doen. Met de zak boven zijn hoofd liep hij het toneel op roepend; “Kijk jongens, SUIKER!!” Waarop Henk Molenberg, die de suiker over Piets hoofd zag lopen, antwoordde; “Het lijkt wel rijst!” 

Op het toneel stond ook een stapelbed waar bovenin Pieter Lutz sliep en onderin Henk Molenberg. Pieter had aan de onderkant van zijn bed allemaal pornoplaatjes geplakt die door Henk Molenberg aandachtig tijdens de scène uitvoerig en aandachtig werd bestudeerd. 

Hugo Metsers had een kast op het toneel waarin een spiegeltje hing. Ook daarin hadden zijn collegae allerlei porno geplakt. Het kammen van zijn haar duurde daardoor langer dan gewoon. Daardoor kreeg de voorstelling ook een heel ander tempo. Ton Lutz, de regisseur, was die avond in de zaal aanwezig en zag het met lede ogen aan. Hij had als regisseur een verleden met Rotterdam en liep wat dat betreft naast zijn schoenen, omdat “Suiker” alle keren in Rotterdam uitverkocht was geweest. In de pauze hoorden we op het toneel hoe hij zijn broer in de kleedkamer ter verantwoording riep en zijn schande sprak. Dat veranderde voor Ton Lutz helaas niets aan het spel van na de pauze. 

Na honderd voorstellingen was het voor ieder van de acteurs een feest dat het doek aan het eind zou vallen. Pieter Lutz moest nog één keer via een houten trapje zijn bed inklimmen. Helaas waren de onderste sporten uit het laddertje gezaagd, zodat hij op het toneel kisten ging verzamelen om die tegen zijn bed aan te zetten. 

In de twee daaropvolgende stukken die ik bij Globe meemaakte zat Ton Lutz zelf als acteur en omdat hij tevens de artistieke leider van “Globe” was, hielden de overige acteurs zich rustig. Bij het Publiekstheater was schmieren helemaal uit de boze. Hans Croiset, met Ton Lutz het artistieke geweten van dat gezelschap duldde geen grappen op het toneel. 

De stukken waarin Hans Croiset zelf meespeelde werden door hem kritisch bekeken. Als er zaken waren die hem niet zinden dan maakte hij daar aantekeningen van en werden die notes na afloop met de betreffende acteurs doorgenomen. Mijn theaterloopbaan startte dus eigenlijk op het eind van een periode dat schmieren er gewoon bij hoorde. Voor het publiek is dat alleen maar gunstig geweest al was er nog steeds wel een groot verschil tussen de voorstellingen in de randstad en de provincie. Een voorstelling in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag duurde steevast een kwartier langer dan dezelfde voorstelling in Winschoten. 

Over Winschoten gesproken; We speelden daar Macbeth en de vader van Hans Croiset, Max, was met openbaarvervoer naar Winschoten gekomen. Hij had uitgedokterd dat de laatste mogelijkheid om die avond weer in zijn woonplaats Den Haag te komen moeilijk was te realiseren of de voorstelling moest iets worden ingekort, zodat hij eerder af was. Nu zat er een scène in waar Herman van Elteren als een ‘oude man’ met een looprek, langzaam voortbewegend, van links naar rechts over het toneel liep. 

Foto; Theaterinstituut.

Herman was altijd uiterst zorgvuldig met zijn uitvoeringen. Je kon er de klok op gelijk zetten en hij was altijd tekstvast. Max had bedacht dat als die scène zou worden weggelaten hij meer kans had om de laatste trein naar Den Haag te halen. Met alle acteurs was overleg geweest, behalve met Herman. Wij hoorden het pas tijdens de voorstelling. Na de scène met Herman zou er een massascène zijn en aan mij werd gevraagd om de bijbehorende tape daarop scherp te zetten en de lichtcabine kreeg te horen dat we drie lichtstanden zouden gaan overslaan. 

Herman van Elteren stond klaar voor zijn opkomst en terwijl hij zijn trage start wilde maken, klonken trompetten die de start aankondigden van de massascène. Daarna ging het toneelbeeld over naar de dronken sleutelbewaardersrol van Max Croiset, die in een hoog tempo zijn taken volbracht en naar de kleedkamer stormde om zich om te kleden. Hij heeft die avond per spoor Den Haag weten te bereiken. Wij kregen een teleurgestelde Herman die kwam vragen wat er aan de hand was. 

Foto ANP-archief van Max Croiset

Max Croiset had wat dat betreft toch wel een naam op dat gebied, want ik herinner me ook een keer dat hij voor een matinee in de Stadsschouwburg van Amsterdam, in tennistenue binnenkwam, zijn rol speelde en bij het slotapplaus niet aanwezig was. Max was toen alweer onderweg naar Den Haag om verder te spelen in het tennistoernooi van zijn tennisclub. Ik kon me ontzettend ergeren aan die spelersmentaliteit en prees mezelf dan ook gelukkig met mijn overstap naar het Nationale Ballet. 

Dansers kunnen niet schmieren, hoogstens iets smokkelen in een beweging. Een dansvoorstelling gaat altijd voor de volle 100%. Voor zangers geldt dat ook, dat ligt ook allemaal vast in partituur en tempi. Daar kan alleen de techniek nog weleens fouten maken. Als de Nederlandse Opera, met wie we medebewoner van de Stadschouwburg waren, een voorstelling buiten de deur had dan werden we nog weleens gevraagd om als technicus mee te gaan. Zo ben ik ooit een keer mee geweest naar Utrecht om bij het licht te assisteren. Willem van de Berg was chef bij de Nederlandse Opera. Tussen de verschillende bedrijven in de voorstelling moest er regelmatig worden omgekleurd (schijnwerpers van andere kleurfilters voorzien) en verder hadden we weinig te doen. Tijdens de voorstelling zaten we in de artiestenfoyer onze beurt af te wachten tot we weer werden opgeroepen voor een changement. Op een bepaald moment was er een oproep dat we met vijf minuten op toneel moesten zijn. Dat werd echter herroepen door een oproep om meteen naar het toneel te komen. 

Wat bleek, er lagen nogal wat mensen rechtsachter op het toneel boven op elkaar. Het operakoor dat na hun scène van het toneel af moest in het donker had geen trap aan het eind van het praktikabel waarover zij af moesten gaan. Die waren de toneeltechnici vergeten te plaatsen. 

We moesten de mensen weer op de been helpen en wonder boven wonder had niemand van het koor iets gebroken. De sfeer op het toneel was er echter niet beter op geworden en het zal zeker nog wel tot de nodige gesprekken op het kantoor van de opera hebben geleid. 

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief