U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 31.

Rekwisieten (3). 

Sommige decors leverden ons als technici wel bijzondere klussen op. De aanschaf van wasmachines voor een ballet van Rudi van Dantzig kwam hier al eerder aanbod. 

Voor het Publiekstheater werden we ingezet als inkoper van tweedehandsboeken. Bij het Publiekstheater gingen ze “Majoor Barbara” van George Bernard Shaw spelen in de regie van René Lobo. Het repetitieproces verliep niet helemaal vlekkeloos en na het opstappen van René Lobo werd de regie overgenomen door Ton Lutz.

Ton Lutz achter de regietafel.

Het decor voor deze voorstelling was ontworpen door Jan Kieboom. De eerste twee van de drie bedrijven speelden zich af in een chique studeervertrek/woonkamer en bij de laatste akte zag je dan een soort open ruimte. 

In het studeervertrek/woonkamer stonden zes hoge boekenkasten tegen ronde pilaren aan en deze boekenkasten moesten in het changement naar de derde akte worden verwijderd. Opdracht was dat er echte boeken in die kast moesten staan. Dat zou voor iedere afzonderlijke boekenkast op tien meter boeken neerkomen en zo’n kast zou niet zijn af te changeren met twee man. Om toch de suggestie te wekken dat de kasten vol stonden met boeken werden slechts de ruggen van boeken getoond waar het binnenwerk uit was gehaald en opgevuld met roofmade (brandvrij isolatiemateriaal). Waarom dat zo was bedacht is mij nooit helemaal duidelijk geworden want een beetje decorschilder had dat ook gewoon kunnen schilderen en dan zou het publiek nog het idee hebben gehad dat het boeken waren. Er moest voor het decor zo’n zestig meter boeken worden gekocht en dat viel niet echt mee. Aan ons werd gevraagd of we, terwijl met een ander stuk op tournee waren in de plaatsen waar we kwamen wilden kijken of er tweedehandsboekenzaken waren en kijken of ze gebonden boeken hadden voor niet al te veel geld. De grap was om zo’n winkel in te gaan en te zien of ze wat hadden. Als dat het geval was vroeg je aan de verkoper; “Wat kosten die boeken per meter?” Waarop ze je meestal heel glazig aan stonden te staren en als ze dan een prijs noemden kon je zeggen; “Uitstekend, doe me maar tien meter.”

In die hoeveelheden lukte het meestal niet, maar al doende kwamen er toch meters boeken naar Amsterdam en op het moment dat er weinig rek meer was in het krijgen van ingebonden boeken mochten we overstappen op niet-ingebonden boeken, de paperback. Het aanbod per meter daarvan was een stuk groter, zodat we uiteindelijk de zestig meter wisten vol te maken. 

Dat laatste changement in “Majoor Barbara” is nog eens helemaal fout gegaan, hoorde ik later. Kees Dijkhuizen, Guus van Outersterp en Henk Nolet zouden dat changement elk gaan doen met iemand van het theater erbij. De heren hadden na de opbouw in de aanloop naar de voorstelling een heel aangenaam diner in de kroeg doorgemaakt en waren niet verder gekomen dan het nuttigen van voldoende alcohol en een balletje gehakt. 

Ze waren die avond wel op tijd op het toneel voor het changement en één van hen had alvast de slaglijnen waarmee de boekenkasten met elkaar waren verbonden losgemaakt. Ze stonden dus volledig los en nog voor het voordoek voor het changement viel, vielen de boekenkasten spontaan om nadat een acteur door de deur, in het midden van de boekenkasten, de deur nogal hard dicht deed. Het voordoek volgde daarop ook heel snel en was het geen changement maar eerder een kwestie van puinruimen. 

De volgende dag viel er voor mij heel wat timmerwerk te verrichten voor alles weer een beetje toonbaar was. De boeken zagen er in ieder geval niet ongelezen uit. 

Als rekwisiteur beleefde je zo af en toe ook heel leuke momenten zeker als je als rekwisiteur in een voorstelling kopjes, schoteltjes of borden nodig had die op toneel stuk moesten vallen. Zo had regisseur eens bedacht dat het beslist witte borden moesten zijn die op de grond stuk moesten vallen. De kleur WIT was een hele opgave. Tweede helft van de jaren zeventig waren de mode tinten oranje, olijfgroen en bruin. In Enschede waren we bijna door onze voorraad heen en moesten er nieuwe worden gekocht. Ik trok er die middag al vroeg op uit om nieuwe witte borden te scoren. Toen ik uiteindelijk een winkel vond die witte borden had ontspon zich het navolgende gesprek. 

“Heeft u ook witte borden in de verkoop?” “Ja, mijnheer die hebben wij.”
“Zijn het stevige borden?”
“Ja, ze zijn heel stevig.” 

“Jammer, dan hoef ik ze niet te hebben. Ik moet borden hebben die stuk gaan als ze op de vloer vallen.” 

Het arme mens keek me aan of ze water zag branden, zeker ook toen ik vroeg; “Heeft u niet een mindere kwaliteit of zou ik er één hier op de grond mogen laten vallen om te zien of hij stuk gaat? Uiteraard betaal ik die en ik ruim de rommel wel op.” 

Ik mocht van haar een bord uitproberen en gelukkig viel die stuk. “Prachtig, doet u mij er maar dertig.” 

In de “Kersentuin” van Tjechov bij het Publiekstheater moest Celia Nufaar van schrik een schoteltje stuk laten vallen en met allerlei soorten van schoteltjes die daarvoor in de repetitieperiode werden aangeschaft lukte dat niet. Waarop we bedachten een schoteltje in tweeën te breken en dat met gips weer aan elkaar te zetten. Schoteltjes gaan echter niet zo makkelijk in tweeën. We hebben er heel wat stuk moeten laten vallen en proberen te breken voor we uiteindelijk twee helften hadden. Dat schoteltje was met gips weer aan elkaar te zetten en het lukte Celia Nufaar ook om bij de eerste repetitie het schoteltje stuk op de grond te laten vallen. Dat schoteltje werd door ons gekoesterd, want het was ons niet gelukt om nog een schoteltje in twee helften te breken. Tijdens de voorstellingen van de “Kersentuin” kwam het nog ettelijke keren voor dat het schoteltje heel bleef en we daar commentaar op kregen. Bij de minste geringste tik die wij er echter tegen gaven viel het uiteen. Zo blijkt maar weer dat sommige mensen het in zich hebben om niets stuk te maken dat was ook wel eens anders. Bij sommige acteurs wist je dat als ze in een stuk speelden en er deuren in het decor zaten waar ze het toneel door opkwamen of afgingen je die deuren en hun lijsten met de regelmaat van de klok moest repareren. 

Ook waren er wel eens externe factoren die ervoor zorgden dat je tegen extra werk opliep tijdens een bouwdag. Mensen zijn gewoontedieren en je kan ze nog van alles van tevoren vertellen, maar dan nog zijn er zaken die ze gewoon zijn om te doen. 

Zo waren wij met “Medea” van het Publiekstheater eens in Gent. Nico van de Krogt was die dag de eerste inspicient. Nico was van zichzelf altijd heel onzeker, zeker als het aankwam op het nemen van besluiten als er aanpassingen in de opbouw moesten worden gemaakt. 

Een bouwdag met Dick Heinz was altijd een uur korter dan een bouwdag van dezelfde voorstelling met Nico. De schouwburg in Gent had geen trekkenwand. Boven het toneel was een zolder waarop men kon lopen en als je iets op wilde hangen dan lieten ze uit de toneeltoren touwen zakken waaraan ze ronde stokken, “sparretjes”, bonden waaraan je dan decor of licht kon hangen wat ze dan naar boven trokken. In “Medea” hing een “Guldenvlies” als achterdoek en in de slotscène scheurde dit doek door het midden en viel het naar beneden. Het doek hing uitgespannen aan touwen met daaraan kleefmagneten en het doek was in de midden met klittenband aan elkaar verbonden. 

Deze illustratie van Nicolaas Wijnberg laat duidelijk het Gulden Vlies zien. Het schuim oplopende decor werd door de technici steevast als “de wielerbaan” omschreven.

Verder hing ervoor, over drie trekken verdeeld, een bebloed doek dat als laatste als een parachute uit de kap kwam zeilen. Ook dit doek was aan kleefmagneten opgehangen. 

De hele opbouw had tot drie uur ’s middags in beslaggenomen voor we aan het licht konden beginnen. Het moest nog worden gesteld en de standen moesten ook nog worden gemaakt. 

Het syndicaat, de Belgische vakbond, schreef echter voor dat er om drie uur een kwartier theegedronken moest worden. Iedereen op toneel liep een trap af naar de kantine. Na een kwartier liep Nico van de Krogt hijgend en piepend om wat er allemaal nog moest gebeuren als eerste de trap naar het toneel weer op. Bovenaan zag ik hem stilstaan en bijna dubbelknakken, waarna er een rits van verwensingen uit zijn mond kwamen. Bovengekomen zagen wij allemaal het guldenvlies en de bebloede lap op het toneel liggen. Hoe kon dat gebeuren? De chef electrieker had het antwoord; “Allei, als wij van toneel gaan dan doen wij altijd de master uit.”  Tja, het was nu eenmaal de gewoonte dat de hoofdschakelaar van de elektriciteit altijd werd uitgezet als men van het toneel ging!

Gevolg was dat al het toneelpersoneel weer naar de zolder moest om de ‘sparretjes’ te laten zakken en waren we meer dan een uur verder voor we eindelijk aan het belichten toe waren. Iemand van ons is er op uit gestuurd om wat eetbaars voor ons te halen, want een diner zat er die dag verder niet in. Die master, de hoofdschakelaar, hebben we ook verder die dag niet uit het oog verloren. Tijd om ’s avonds van de Belgische keuken te genieten zat er die dag helaas ook niet in.

Wat prettig was aan voorstellingen in België was het feit dat we 150% van ons Nederlands séjour ontvingen, onze vergoedingen voor koffie, thee, lunch, diner en overnachtingsgeld. Daarbij kwam dat de Belgische keuken in die tijd beter was ontwikkeld dan de Nederlandse stamppotkeuken en het bistro-eten van houten planken wat in die tijd enorm intrek was. Er ging op de terugweg naar Nederland ook vaak nog wel een Belgisch biertje mee terug in de vrachtwagen. 

Op de persoonlijke pagina van de Theater Encyclopedie treft u een heel overzicht van de tot nu toe gepubliceerde theaterverhalen zoals die hier op mijn blog zijn verschenen. De link hieronder geeft u direct toegang.

https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Martin_Wagenaar

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief