U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 4.

Spoken. 

“Spoken” van Ibsen was de derde en laatste productie die ik bij Globe meemaakte. Het decor was redelijk simpel een eettafel in het midden van het toneel op een vloerkleed. Daarachter stond een toogvak tegen een praktikabel van twee treetjes hoog en daarachter tegen aan een praktikabel stond een serre wand die uitkijk gaf op de tuin. 

Links en rechts op toneel tegen de poten stond een deurvak met daarachter op statief een lichtkoker. Als de deur op toneel openging dan zag je het licht op de toneelvloer en de schaduw van degene die binnenkwam. 

Het decorontwerp was van Nicolaas Wijnberg, toentertijd de vaste ontwerper van regisseur Ton Lutz.

Tijdens het belichten van het stuk waren Lutz en Wijnberg op een bepaald moment niet tevreden over de sfeer op en rond de tafel. Via de headset tussen toneel en regietafel hoorden we de mannen daar behoorlijk lang over spreken met elkaar. Dick Heinz die het denk ik wat te lang vond gaan duren kwam met een voorstel. Hij vroeg de toneelmeester van Oss of deze toevallig twee kleurtjes choclat (56) in huis had. In 1975 werden er nog over het algemeen kleurfilters van Cinemoid gebruikt. Schijnwerpers waren toen nog vaak voorzien van gloeilampen. Vanaf 1976 werden veel van die schijnwerpers vervangen door schijnwerpers met halogeenlampen. Cinemoid was daar niet tegen bestand, de filters brandden voor de spots weg. LEE-filters namen vanaf dat moment de markt over. 

Choclat (56) was een niet al te vaak gebruikte kleur, veel theaters waren toen ook nog heel beperkt in hun kleuren en het gevolg was dat als je bijzondere kleuren gebruikte je na afloop van de voorstelling nog iemand naar de bruggen moest sturen om die filters weer te vergaren. 

Daar was men vaak niet zo happig op en in de praktijk kwam het erop neer dat je voldoende kleurfiltermateriaal mee op reis moest nemen om niet zonder te komen zitten. Dick Heinz had daar duidelijk geen zin in, die zag zijn geest al dwalen. Afspraak met de twee heren kwam erop neer dat Dick de volgende dag in het Van Nispenhuis choclat zou gaan scoren voor we weer naar Oss zouden rijden.

Aldus geschiedde. 

Onderweg in de auto naar Oss instrueerde Dick Heinz ons en gaf aan geen zin te hebben om die kleurfilters op de reis mee te nemen. In de portaalbrug hingen twee kokers gekruist over de tafel en we moesten met zijn tweeën naar boven. Dan zou hij die kokers aan laten steken als de heren zaten te kijken en dan moesten wij het kleurtje voor de schijnwerper houden. Ze vonden het een prachtige oplossing en terwijl Lutz en Wijnberg ernaar keken en het met elkaar bespraken lieten wij het kleurtje langzaam voorlangs de schijnwerper zakken en bleven even wachten om te horen of ze de truc doorzagen. 

De heren hadden niets in de gaten en tijdens de doorloop die middag hoorden we niets meer over het feit dat ze de sfeer op en rond de tafel niet goed vonden. 

Cinemoid nr. 56 was afgeschminkt.
Het was eigenlijk ook wel onze praktijk om op dezelfde wijze met rekwisieten om te gaan. 

Er werd in een repetitielokaal natuurlijk ontzettend veel bedacht om handelingen voor de acteurs in te vullen. Op het moment dat wij als techniek werden uitgenodigd om in het repetitielokaal aan te treden in de laatste weken naar de try outs, was het zaak om heel erg goed in de gaten te houden wat er precies door wie werd gebruikt. Daar maakten we aantekening van en ook waar die rekwisieten voor aanvang moesten staan en liggen. 

Zodra we ook maar even het idee hadden dat iets niet werd gebruikt dan lagen we het bij een volgende repetitie ook niet meer klaar. Als een rekwisiet dan alsnog werd gemist, maakten we het excuus dat we het even waren vergeten. Hoorden we er niets over dan ging het in de kist van spullen die later terugging naar de opslag. Zo maakten we het niet alleen onszelf maar ook de acteurs een stuk makkelijker. De acteurs hadden altijd de taak om voor de voorstelling hun rekwisieten te controleren. Er waren erbij die dat weleens vergaten en als ze dan vlak voor ze op moesten hun spullen niet konden vinden en in paniek raakten dan was dat niet ons probleem. Ze hadden het gewoon voor de voorstelling moeten melden. 

Snoepwerk en andere etenswaren in de voorstelling voor aanvang klaarzetten was wel eens een probleem, omdat er altijd mensen waren die vooraf er wel van aten. Hetzij acteurs of personeel van het theater. Ik weet van Ron Weerden dat hij ooit een voorstelling had waarin drie Belgische pralines moesten worden gegeten. Die waren essentieel in het stuk. 

Het kwam echter heel vaak voor dat er soms geen of maar één praline nog op het schaaltje lag. Die pralines kon je toen nog niet makkelijk in Nederland krijgen. We kochten ze, als we met voorstelling in België waren in het groot in. Je kunt ze echter nog in zulke grote hoeveelheden inkopen, als ze toch worden gejat dan loop je achter de feiten aan. Ron kocht op een bepaald moment fop pralines in een feestwinkel gevuld met zeep. Daar heeft hij veel succes meegehad, want er was een acteur die voor aanvang de pralines al at. Ron had de echte pralines onder hand bereik en was van plan ze vlak voor ze op gingen om te wisselen. 

Dat was die dag niet nodig. 

De acteur in kwestie was woedend dat hij een zeeppraline had gegeten en liet dat overduidelijk merken. Ron heeft daarna gewoon zijn pralines weer klaar kunnen zetten zoals hij dat gewoon was. 

Zelf heb ik bij ”De Kersentuin” van het Publiekstheater jodenkoeken gebakken met groene zeep en flink wat peper, omdat de jodenkoeken vaak al op waren voor het doek opging.  Daar heb ik helaas nooit een klacht op terug gehoord. In “De Kersentuin” stond op het toneel een rijkelijk met voedsel gevulde tafel waar eigenlijk bijna niets van werd genuttigd. Stokbroden, vlechtbroodjes, soepstengels en nog meer van die zooi. Dat ging na afloop weer allemaal in de rekwisietenkist, maar was dan toch nog erg kwetsbaar. Tijdens de try-out periode ben ik al dat spul zelf thuis gaan bakken van dooddeeg. Dat ziet er levensecht uit, is bikkelhard en kan dus tijdens vervoer tegen een stootje. Bij de generale in Amstelveen zag een collega, Kees Dijkhuizen, ze voor echt aan en kon zich niet inhouden en nam een hap. Dat kostte hem twee voortanden. 

Ik heb later, toen ik al weg was bij het Publiekstheater, voor Frits van de Haspel nog eens van dooddeeg het nodige gebakken, want het bleek best duurzaam te zijn. Je haalde het eind van een voorstellingsserie met deze rekwisieten. 

Martin Wagenaar

wordt vervolgd, verschijnt om de twee weken.

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief