U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 8

Detachering.

Ondanks het feit dat ik van tevoren wist dat mijn baantje bij Globe niet langer dan één seizoen zou duren, voelde ik me er heel erg thuis. Er hing bij dat gezelschap een heel ontspannen sfeer. Globe bracht in een theaterseizoen zo’n 8 premières uit en zo’n toneelstuk werd ongeveer twee maanden gespeeld. Om dat technisch te realiseren waren er bij Globe twee technische groepen waarvan er één onder leiding stond van Johan Landa en de ander onder leiding van Dick Heinz. 

Veel van de Globe technici gingen ook met elkaar op vakantie of stonden in ieder geval ’s zomers op dezelfde camping in Italië. Recent, 2019, hoorde ik dat ze dat zelfs tegenwoordig nog doen.

De overgang naar het Publiekstheater was voor mij groot. Vooral ook omdat ik niet in dienst kwam van het Publiekstheater, maar in dienst van de STA, Stichting Theatertechniek en Administratie. Rick van Hulst was daar de directeur van en de organisatie detacheerde technisch personeel bij alle Amsterdamse toneelgezelschappen. 

Ook alle technische apparatuur en decors werden door de STA geleverd. Aan het Weteringcircuit had de STA een eigen decoratelier en opslag en onderhoud van technische apparatuur werd gedaan in de pakhuizen bij het Waterloopplein. De administratie vond plaats vanuit de Stadsschouwburg. Het was misschien wel een mooi bedachte constructie, maar in de praktijk werkte het voor geen meter. 

Het punt was dat je niet echt het gevoel had dat je onderdeel van de STA was, maar dat je werknemer van het gezelschap was waar je gedetacheerd was. Je kwam op voor de belangen van de voorstelling die je begeleidde. Daar kwam bij dat het technische materiaal dat we kregen aangeleverd ook niet altijd het beste materiaal was en er haperde nog wel eens wat. Cor de Vries was voor de STA de man die over het onderhoud van de geluidsapparatuur ging. Het was een ontzettend aardige vent en als je ook eens bij hem binnenkwam op het Waterloopplein met een kapotte bandrecorder dan was hij altijd bereid om je onmiddellijk te helpen. Hij schoof het werk waar hij op dat moment mee bezig was zo voor je aan de kant en begon aan jouw bandrecorder te werken. Je kreeg ook altijd de toezegging dat als hij er mee klaar was hij de bandrecorder zou terugbrengen, maar dat kon nog wel even duren. Dat klopte ook wel, want je kon nooit weten wie er na jou bij Cor binnen zou komen. 

De kans dat jouw bandrecorder voor een volgende collega aan de kant werd geschoven was groot. Die zolder boven in het pakhuis die het domein van Cor was lag bezaaid met onderdelen. Daar lag voor een godsvermogen op de vloer. Er werd gekscherend ook wel gezegd; “Cor de Vries is een fantastische reparateur; hij weet van twee hele Revox-recorders altijd wel één kapotte te maken!” 

De eerste voorstelling die ik bij het Publiekstheater meemaakte was “Elektra” en bij toerbeurt waren we verantwoordelijk voor het geluid, licht, decor en rekwisieten. 

Maquette van decor Elektra ontworpen door Nicolaas Wijnberg.

Ik had als voormalig brood- banketbakker totaal geen technische ondergrond en geluid was ook helemaal niet mijn ding. 

Vond geluid ook totaal niet interessant. Wat ik wel heel erg leuk vond was het zoeken naar geluidseffecten die nodig waren voor een voorstelling en het monteren van geluidsbanden. In die tijd had je voor bijzondere geluiden een serie langspeelplaten waarop die effecten stonden en die door ieder gezelschap wel werden gebruikt. Sirenes van brandweerwagens, ambulances, politie en luidende klokken in allerlei soorten. Als je eens naar een voorstelling ging kijken en je hoorde dan een geluid dat werd afgespeeld dan wist je over het algemeen al welke plaat ze daarvoor hadden gebruikt. Voor de voorstelling van Macbeth hadden we een klok nodig die twaalf uur sloeg en regisseur Hans Croiset was heel duidelijk in zijn wens; het moest niet één van de gebruikelijke klokkengeluiden zijn, maar iets bijzonders. Wij gingen daarom naar de phonotheek die vlak bij de Stadsschouwburg was en haalden er wat grammofoonplaten op van moderne componisten. Die platen luisterden we in alle rust volledig af om te horen of we er een geluid op aantroffen dat voor klokkenslag gebruikt kon worden. Na veel platen beluistert te hebben vonden we op een grammofoonplaat van een Japanse muzikante een geluid aan waar we wel brood in zagen. Zij experimenteerde met allerlei soorten van percussie-instrumenten en het geluid dat wij wel redelijk vonden was een geluid dat ontstond doordat zij een klap op een glasplaat gaf en de plaat dan liet zakken in een bak met water, waardoor de geluidstrilling werd afgeknepen. Het leek nog lang niet op een slaande klok, maar toen we het geluid op 19 cm. snelheid opnamen en op 38 cm. afspeelden hadden we een geluid waar wij wel vertrouwen in hadden en het Hans Croiset konden laten horen. Die was enorm enthousiast en kon de klok worden gemonteerd voor de repetitie band. Als geintje lieten we de klok dertien keer slaan en het gekke was dat het niemand tijdens de repetities opviel. Pas op de avond van de eerste try-out in Amstelveen was het Bob Logger, de regie-assistent, die voor aanvang het toneel opkwam omdat hij de band nog even wilde horen. Hij had toch een onbestendig gevoel gehad en zo kwam het dat we voor aanvang nog een klokslag uit de band moesten knippen.

Wat betreft het geluid neerzetten en aansluiten vond ik het werk als geluidstechnicus gewoon een crime en bij de opbouw van “Electra” in de Stadsschouwburg van Amsterdam was het op een keer mijn beurt. Toen ik alles had aangesloten en een bandrecorder startte, gebeurde er niets. Geen geluid. Alles weer nalopen, maar ik kon niets geks ontdekken. Uit frustratie gaf ik een klap op de hoofdmaster van het mengpaneel en een wonder geschiedde; GELUID! 

Wat is wijsheid? 

Blij zijn dat het werkt met het risico dat het geluid me ’s avonds weer in de steek zou laten. Cor de Vries gebeld en uitgelegd wat er aan de hand was en of hij zolang een ander mengpaneel voor me had. “Maar jongen, hij doet het toch?” Cor was niet zo goed of hij moest toch van mij met wat beters komen en dat gebeurde ook, omdat ik aan bleef dringen. 

Binnen onze technische groep was er niemand die echt blij was met de detacheringsconstructie. Ik weet niet meer wanneer het precies was, maar volgens mij kwamen we in seizoen 1976/1977 in dienst van het Publiekstheater en werd er vanaf dat moment ook geluid en licht door het gezelschap aangeschaft. De decors bleven wel door het decoratelier van de STA geleverd. Over de kwaliteit van die decors kan alleen maar lovend worden gesproken. Op het atelier van de STA zaten hele goede vaklieden. 

Productie-technisch bracht het Publiekstheater iedere twee maanden een toneelstuk uit en iedereen van de technische dienst werd geacht de voorstellingen te kennen. Er was sprake van specialisatie in onze technische dienst. Mijn voorkeur in die tijd lag voornamelijk bij decor en rekwisieten. 

Bij de opbouw was trouwens iedereen betrokken en als de trailers geladen moesten worden dan stond ik over het algemeen vaak in de trailer te helpen. Omdat ik vaak ook schades moest herstellen was er mij veel aangelegen dat het decor goed en vast in de trailer kwam te staan. 

Het feit dat wij met Het Nationale Ballet en de Nederlandse Opera vaste bespeler waren van de Stadsschouwburg hield in dat het laden en lossen van de voorstellingen altijd in nauw overleg met de technici van die gezelschappen en de toneeldienst van de schouwburg ging. Er vonden ook veel gastbespelingen plaats waar rekening mee gehouden moest worden. Aan het laad- en losperron kon maar één trailer staan. Zo’n trailer moest dan achteruit in de Marnixstraat de steeg insteken en dat viel niet altijd mee. Er waren behoorlijk wat chauffeurs die moeite hadden met achteruit de steeg in te rijden. De Marnixstraat was toen nog twee richtingen rijverkeer en er lag een druk bereden tramroute in de straat. Aan de beide zijden van de straat werd ook geparkeerd en er stonden dus ook vaak auto’s voor de steeg geparkeerd. Auto’s die niet altijd van ons waren en die moesten dan wel weg. De politie had wel takelwagens, maar er moest altijd eerst worden bekeurd voor deze uit konden rukken. Tegen de tijd dat wij na een voorstelling dus moesten laden gingen we met een man of vier, vijf naar buiten en drukten dan op de bumper de auto flink op en neer en als deze dan omhoog kwam trokken we de auto van de kant tot deze schuin naar de weg gericht was en duwden deze dan de trambaan op.

Een takelwagen liet dan meestal niet al te lang op zich wachten. 

Soms kwam de politie ook nog wel vragen of we wisten hoe een auto op de tramrails was gekomen, maar dat was ons nooit bekend. Als de auto weg was dan was het aan de chauffeur van de trailer om achteruit de steeg in te parkeren. Voor sommigen was dat geen enkel probleem, maar er waren erbij die het echt niet in zich hadden. Daar moesten we bij meelopen en vertellen welke kant ze het stuur moesten draaien. Het waren ook vaak niet al te beste trucks waar de decors mee werden vervoerd. 

Van de drie bekendste transporteurs op dat gebied van decorvervoer ging de leuze rond; “Kat, Koot en Schut, het is allemaal KUT”. 

We moesten eens overdag een trailer laden met decor van Macbeth en toen het laatste praktikabelblad in de trailer was gezet en we op het laadperron stonden, begon de trailer langzaam uit zichzelf te rijden. De chauffeur zag het met lede ogen gebeuren, maar kon zijn trekker niet meer bereiken. De combinatie raakte een paar geparkeerde auto’s en kwam tegen de gevel van ‘Americain’ tot stilstand. Kort erop stond de politie erbij. 

Een agent die in de cabine was geklauterd en de handrem probeerde los te krijgen, kreeg te horen van de chauffeur dat hij dat niet goed deed. Achter de chauffeursstoel pakte die chauffeur een ijzeren stang en hengstte onder de stoel door tegen de handrem aan. 

“Kling, klang, kledder!”, en de handrem ging los. 

Wat de agent daarover precies noteerde is me niet bekend, maar zijn gezicht sprak boekdelen. 

De technische bus van het Nationale Ballet, een Mercedes 508, stond ook vaak op de Marnixstraat geparkeerd. Vaak werd deze dan door andere auto’s volledig klemgezet. Henk Koegler, de timmerman/inspiciënt van Het Nationale Ballet, had daar totaal geen moeite mee. Ik heb hem eens zien instappen, startte de bus en zette hem in zijn vooruit tegen de bumper van zijn voorganger en reed een meter vooruit waarbij een drietal auto’s bumper op bumper werden geduwd.

Daarna schakelde hij in zijn achteruit en liet de achterbumber tegen de voorbumper van de auto achter hem aankomen en reed daarop een meter achteruit, schakelde weer in zijn vooruit en draaide de Marnixstraat op. Zes auto’s, bumper op bumper, achterlatend. 

Wordt vervolgd.

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief