U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 1

(tweede deel wordt 11 oktober geplaatst.)

I. 

“De Stille Kracht” 

Door een verschil van mening met mijn rederij over mijn verlofdagen was ik niet teruggegaan naar het schip waar ik als kok op voer. Eind januari 1974 besloot ik, nadat de rederij mij toch de verlofdagen toerekende waar ik recht op had, om aan de wal te blijven. 

Twee weken later verging het schip waar ik naartoe had gemoeten en verloren negen van de dertien collegae hun leven.
Laat ik het kort zeggen: “Zoiets doet wat met je!”  Vanaf dat moment heb ik me ook nooit meer ingehouden als ik het ergens niet mee eens was en altijd mijn gevoel gevolgd. Dat laatste was voor anderen vaak niet te begrijpen, maar heeft mij niet belet om het leven nog steeds te vieren.

Afbeelding met buiten, water, gras, oud

Automatisch gegenereerde beschrijving

Francina op de rotsen bij Mennorca.

Maar hoe komt zo’n boerenlul uit de kop van Noord-Holland dan uiteindelijk in het theater terecht. Ik denk gewoon door op mijn gevoel af te gaan in zaken die op mijn pad kwamen en komen. Voor ik ging varen, voor 1970, was ik behoorlijk politiek actief, ik was bewust dienstweigeraar (uiteindelijk wel afgekeurd) en ik schreef voor vrienden cabaretteksten. Mijn stem leende zich totaal niet om zelf in de cabaretgroep mee te doen en mijn motoriek laat ik liever helemaal buiten beschouwing. Kortom het kwam er in de praktijk op neer dat ik tijdens repetities aanwijzingen gaf en bij optredens, bediende ik het geluid en als er licht was dan deed ik dat er ook bij. Verder had ik totaal geen ervaring op dat terrein. 

Dat op een bepaald moment HZT (Het Zuidelijke Toneel) Globe voorbijkwam was voor mij een groot geschenk. In september 1974 solliciteerde ik als aankomend inspiciënt bij de chef technische dienst Jan Kreukniet van Het Zuidelijke Toneel ‘Globe’ (HZT ‘Globe’). Het gesprek vond plaats in het Van Nispenhuis op de Stadhouderskade 55 te Amsterdam, een oude kerk die samen met de Nederlandse Opera in gebruik was. (het Van Nispenhuis ging op 1 februari 1977 in vlammen op en helaas daarmee ook de rijke wapencollectie van de Nederlandse Opera) 

Het gesprek met Jan Kreukniet verliep goed en hij nodigde me voor een week later nogmaals uit voor een gesprek met Dick Heinz erbij die mijn chef op de reis zou worden. Ik werd aangenomen en mijn eerste werkdag was 28 september 1974. Om 17.30 uur moest ik bij het KLM-gebouw op het Museumplein opstappen in de artiestenbus van Jan van Ammers die daar naar Eindhoven zou vertrekken. Ik was wat betreft theater zo groen als gras. 

Tot ik naar zee ging wist ik redelijk wat er op cabaretgebied gebeurde, maar van televisie, film en theater had ik weinig meegekregen. De bezetting van “Suiker”, dat was de productie waar ik bij moest beginnen bestond uit allemaal voor die tijd bekende namen. Tenminste dat is wat ik uit mijn omgeving opmaakte toen ik vertelde wat ik zou gaan doen. Met twee jaar op zee had ik wat dat betreft een behoorlijk gat in mijn kennis. Piet Römer kende ik dan van “Stiefbeen en zoon” en Henk Molenberg had ik in mijn jeugd geloof ik wel eens gezien in de “Tovenaarsleerling” op tv, maar de rest was mij onbekend. Over Pleuni Touw en Hugo Metsers had ik wel eens iets gelezen als er in Casablanca voor te veel geld oude Telegraafkranten waren ingekocht om op de hoogte te blijven van wat er in Nederland gebeurde. 

De rest van de acteurs zei me dus niet zoveel. Daar stond ik dan op zaterdagmiddag 28 september 1974 om kwart over vijf bij het KLM-gebouwtje op het museumplein in Amsterdam op de bus te wachten. Tegen half zes kwam er een blauwe bus van Jan van Ammers voorrijden met Lex, aan wie ik me voorstelde, als chauffeur. Dick Heinz was de volgende die aankwam en die me aan de andere binnen druppelenden voorstelde. Van achter in de bus bekeek ik mijn medepassagiers. 

Er werd nagepraat over het premièrefeestje van de vorige avond en de vele plasstops die de bus die avond onderweg terug naar Amsterdam had moeten maken. Ton Lutz, de regisseur, zat ook in de bus en werd door iedereen blijmoedig met de voornaam aangesproken. 

Dat bleek niet voor iedereen weggelegd merkte ik die avond in de pauze van “Suiker” en Ton Lutz Dick Heinz aansprak over het feit dat die blonde vent bij het changement bij opendoek een pet op moest, want ik was veel te dominant in beeld. Toen ik bij het gesprek werd betrokken en ergens de heer Lutz met “Ton” aansprak, merkte ik dat ik nog niet tot de intimi van de heer Lutz behoorde. Ik heb wel altijd leuk contact met Ton Lutz gehad, maar hij is voor mij altijd “mijnheer Lutz” gebleven. Dat laatste ook vanwege het respect dat ik in de loop der jaren voor hem heb gekregen. 

“Suiker” van Hugo Claus werd een groot succes en dat merkten we aan het grote aantal voorstellingen die vooraf al op de speellijst stonden, en vooral was gebaseerd en te danken aan de namen die in het stuk speelden. Echter door de ontvangst in de pers werden het er nog meer. Waren bij aanvang van de serie de zondagen nog zoveel mogelijk vrijgehouden, algauw werden die ook ingevuld. Tot begin januari 1975 werden er meer dan honderd voorstellingen gespeeld. 

Ik was volledig leek toen ik met Dick Heinz, Peter Bijl, Ron Weerden en Henk Landa meeging en we de eerste voorstelling op reis gingen bouwen. Gewend als ik was op zee dat iedere nieuweling ontgroend werd, was ik er heel erg alert op dat dit me op toneel niet zou gebeuren. De eerste opdracht die ik van Dick Heinz kreeg was dat ik de “poten”1 en de “friezen”2 op de goede plek moest hangen om af te stoppen. Omdat er nog genoeg andere zaken waren waar ik bij kon helpen, liet ik die opdracht volledig aan me voorbijgaan. Mij neem je tenslotte niet zomaar te pakken. Op zee waren ‘poten’ homo’s en ‘friezen’ noemde je jouw scheepsgezellen van over de Afsluitdijk. Dat poten en friezen de algemene benamingen waren voor de doeken naast en boven het toneel heeft Dick me die ochtend nog wel haarfijn bijgebracht. Na de lunch ging het werklicht uit en moest er worden belicht. Van Dick kreeg ik opdracht om in de zaal te gaan zitten om te zien wat er gebeurde en alleen voor de changementen moest ik bijspringen. Het meest onder de indruk was ik van het maken van de lichtstanden. Ik besefte hoe bijzonder dat was, dat je vanuit je fantasie een realistisch beeld kunt scheppen en daarmee ’s avonds het publiek kunt meeslepen in het verhaal. Het voelde of ik op dat moment thuiskwam en het heeft me mijn verdere carrière ook niet meer losgelaten. Theater was mijn nieuwe thuis. 

Toen ik later ook thuis aan een lichtplan werkte voor producties waar ik het lichtontwerp voor deed, schreef ik vaak mijn standen op papier uit en had ik visueel ook het beeld daarbij in mijn hoofd. Als ik dan in het theater die standen maakte en de nummers van de schijnwerpers met de sterktes opriep dan bevestigde dit vaak het beeld dat ik had. Veel hoefde ik in ieder geval niet te corrigeren of een regisseur of choreograaf moest al een volkomen ander beeld voor ogen hebben gehad. 

Dat kwam zelden voor. Die eerste tijd bij Globe hield ik me behoorlijk op de vlakte en dankzij een rol die Pleuni Touw kort daarvoor op televisie had gespeeld, kreeg ik al snel de bijnaam van “Stille kracht”. 

  1. Poten zijn de zwarte of nachtblauwe doeken die vertikaal, links en rechts van het toneel hangen en zorgen dat het publiek geen inkijk heeft op wat er aan de zijkant van het toneel staat en/of gebeurt. 

2.  Friezen zijn de zwarte of nachtblauwe doeken die horizontaal boven het toneel hangen en ervoor zorgen dat alles wat in de toneelkap hangt aan het zicht van het publiek wordt onttrokken. Poten en friezen behoren tot de toneelafstopping. 

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief