DE MOORD TE SCHAGEN (6.)

Verslag der vegadering van den Raad der gemeente Schagen gehouden op Dinsdag, 28 Augustus 1894, des voormiddags 10 ure.

Hierna kwam aan de orde: Regeling Politiewezen.

De heer S. Berman, voorz., verklaarde nu, zich gedrongen te gevoelen, een enkel woord te spreken naar aanleiding der vreeselijke dingen, welke onze anders zoo rustige gemeente in de laatste dagen in zoo groote beroering hebben gebracht. Oprecht en innig medelijdenmet de slachtoffers heeft onze ziel vervuld; met klimmende belangstelling heeft men het justitieel onderzoek gevolgd, en toen op donderdag l.l. bekend werd, wie het schandelijk feit zou hebben gepleegd, toen ontstond in de harten der ingezetenen rechtmatige blijdschap, maar ook heilige toorn. Goddank, dat zulke zenuwtrillingen in het menschelijke gemoed kunnen plaats vinden en dat de oogen nog de schaduwen van onrecht en onzedelijkheid opmerken, en men nog kan voelen, hoe diep de mensch zinkt, die zijn hart den scheid-brief gaf, – en dat het beleedigd rechts gevoel zich uitte zoolang die zware misdaad niet gestraft is. Dat de snoodaard is een Schager ingezeten, dat heeft ons allen ernstig gegriefd; niemand toch had gedacht, dat onze gemeente zulk een onverlaat kon herbergen. Voorwaar, het is een treurig feit. Gelukkig evenwel, dat de tweede verdachte onschuldig is bevonden aan het bloed dier vrouwen. Dat de schuld van den een en de onschuld van den ander aan het licht is gekomen, is vooral te danken aan het nauwkeurig onderzoek der Justitie. Met een ernst en een ijver, boven ieders lof verheven, deed Justitie dagen en nachten aaneen haar plicht. Hier past dan ook een woord van eerbiedige hulde en diep gevoelde erkentelijkheid aan den heer Mr. F.F. Karseboom, Officier van Justitie en aan den heer Mr. Lagerwey, Rechter-commissaris bij de Arr. Rechtbank te Alkmaar, voor de wijze, waarop zij Schagen aan zich hebben verplicht. Een woord van dank aan de Rechercheurs, de heeren  Visser en Bedeke, der gemeentepolitie onze hoofdstad, – aan de Gemeentepolitie van Schagen, en aan de Majoors-brigadiers en verdere dienaren der Rijkspolitie voor de uitstekende wijze waarop zij gedurende zoo’n langen tijd hunne taak hebben verricht. Ik vertrouw dat de belangrijke diensten, door hen aan ons bewezen, weldra op de een of andere wijze zullen worden beloond. Tenslotte nog een woord tot U, leden van den raad dezer gemeente.

De ontzettende moord, waarvan de annalen der gemeente Schagen nog lang met huivering zullen gewagen, hebben mij de overtuiging geschonken, dat de eerbied voor het leven en den eigendom van anderen ook hier niet schijnt toe te nemen, en dat een blijvende voorwaarde voor orde, rust en veiligheid slechts gelegen kan zijn in de versterking der dag-politie en verbetering der nachtpolitie. De vredelievende bevolking van Schagen heeft op die veiligheid recht. Dat is ook het gevoelen der beide heeren Wethouders en in de vergadering van B. en W. op jl. Zaterdag werd dientengevolge besloten, u het volgende voorstel te doen:

1. den Burgemeester te machtigen, tot het oproepen van sollicitanten voor de betrekking van een gemeente-veldwachter ter vervanging van den tegenwoordigen titularis Oudshoorn.

2. De jaarwedde voor den benoemden veldwachter, alsmede voor den veldwachter Abma te bepalen op ƒ 550.- benevens ƒ 75.- voor kleeding-uitrusting; het laatste bedrag daarvoor uit te geven onder controle van den Burgemeester en overeenkomstig diens voorschriften. B. en W. achten die verhooging noodzakelijk wijl zij van oordeel zijn, dat de bezoldiging der politie in overeenstemming moet zijn met de meerdere diensten welke aan haar, kan hetgeen wordt voorgesteld des raads goedkeuring wegdragen, zullen worden gevorderd, terwijl het oog op den te verrichten nachtdienst, meerdere uitgaven voor kleding onvermijdelijk zullen zijn.

3e. In verband met vorenstaande:

a. Met gedeeltelijke intrekking van het deswege genomen raadsbesluit den veldwachter Oudshoorn, met ingang op den datum waarop diens opvolger in functie zal treden, voor te dragen tot eervol ontslag uit zijne betrekking en hem een pensioen te verleenen van ƒ 250.- ’s jaars, benevens het vrije genot van zijn e tegenwoordige woning met daarbij behoorende tuin, op voorwaarde echter, dat hij zich bij voorkomende noodzakelijkheid beschikbaar stelt, voor het verrichten van kleine diensten door den Burgemeester van hem in het gemeentelijk belang of voor den regelmatigen gang van zaken gevorderd wordende, en onder bepaling dat het genot van woning en tuin zal eindigen, wanneer Oudshoorn niet langer geschikt mocht blijken, zich met de voor de bewaking der arrestanten in de Arrestantenkamer en het schoonhouden der bij zijne woning geplaatste ziekenbarak te belasten, voor welke beide diensten hem het genot van vrije woning en  tuin moet worden geacht te zijn toegekend.

b. de betrekking van nachtwacht te doen vervallen met dien datum, waarop de opvolger van Oudshoorn in dienst zal treden, aan Roos tenzelfden dage als zoodanig eervol ontslag te verleenen, onder toekenning tevens van het vrije genot zijner tegenwoordige woning als doodgraver en opzichter der algemeene begraafplaats, doch niet langer dan voor den tijd, gedurende welke die betrekking door hem zullen worden waargenomen;

4e. den dienst der veldwachters te verdeelen in dag- en nachtdienst, te regelen door den Burgemeester, als hoofd der politie.

5e. de verhooging der jaarwedde voor Abma te doen ingaan op den datum, waarop Oudshoorn’s opvolger in functie treedt.

Door den heer C.A. Hoogschagen werd op het voorstel van B. en W. als amendement voorgesteld, de jaarwedde van den nieuw te benoemen veldwachter voorlopig vast te stellen op ƒ 500.- omdat als later blijkt dat hij zijne diensten behoorlijk verricht, men altijd nog kan besluiten de jaarwedde te verhoogen.

De heer C. Bijpost vereenigt zich met het voorstel van B.&W. en acht, daar toch de beide veldwachters gelijkelijk zware dienst hebben te verrichten, billijk dat ook beide dezelfde jaarwedde genieten.

Overgaande tot stemming over het ammendement van den heer Hoogschagen, wordt  dit aangenomen met 3 tegen 6 stemmen. Vóór stemden de heeren: Smit, Vlaming, Asjes, Hoogschagen, Roggeveen en Govers; tegen de heeren: Buis, Hazeu en Bijpost.

Hierna werd het in verband met bovenstaande het gewijzigd voorstel van B. en W. met algemeene stemmen aangenomen.

Op voorstel van de Voorz. den heer S. Berman, besloot de Raad eveneens met algemeene stemmen aan de Heeren Mr. Karseboom en Mr. Lagerwey een adres van dankbetuiging te zenden voor de moeite die zij zich getroost hebben, om deze treurige zaak tot een goed einde te brengen.

De heer W. Roggeveen Cz. nu het woord verkregen hebbende, verklaart, mede uit naam der overige raadsleden, dat, heeft zooeven de heer S. Berman, gesproken van de ongekende plichtsvervulling gedurende dagen en nachten door de Justitie en Politie in de treurige daad betoond, wij onzerzijds ook weten, dat ook U, geachte Burgemeester, niet minder ijver hebt aan den dag gelegd. Ook Gij, mijnheer Berman, hebt u gedurende dagen en nachten beijverd als hoofd der politie,om den pleger dier misdaad te ontdekken.

Wij zijn er u hartelijk dankbaar voor, al doet het ons leed dat gij, nog maar een half jaar aan het hoofd onzer gemeente staande, genoodzaakt werd uwe krachten te wijden aan een treurige zaak als deze. Wij hadden toen gehoopt, dat het u slechts gegeven zoude zijn, alleen uw krachten te wijden aan de welvaart en de bevordering van den bloei onzer gemeente. De loffelijke wijze, waarop gij u van uw taak kweet, brengt ons er toe, u dank te betuigen.

Wij hopen, en God verhoede het, dat U nimmer meer genoodzaakt zult worden in die richting uwe krachten in te spannen, en dat onze gemeente gespaard moge blijven voor gruweldaden, door inwoners uit de gemeente nog wel gepleegd, – gruweldaden – waarvan onze gemeente vreemd was gebleven, sinds menschen-heugenis.

De veiligheid onzer gemeente toch werd steeds geroemd en nooit vielen er feiten voor, die zouden doen denken, dat een dergelijke gruweldaad in onze gemeente zou kunnen worden bedreven. Ook is de raad vol lof over onzen gemeenteveldwachter Abma, die door bijzonderen ijver zich de achting en waardering heeft verworven. Ik ben zelfs gemachtigd, ook uit naam van het raadslid, den heer J. v.d. Maaten, hier warme hulde te brengen aan Abma, voor zijn betoonde ijver.”

Een warm applaus getuigde van de onverdeelde instemming der overige raadsleden en nadat men de heer S. Berman de hand had gedrukt en deze daarvoor zijn dank had uitgesproken, ging men over tot de orde van den dag.

Schagen Courant 2 september 1894, pag. 3

INGEZONDEN.

Schagen Courant 11 oktober 1894, pag 3.

Schagen, 10 October 1894

_ De gevonden lamp ten sterfhuize van Mej. de wed. Buete, die nog altijd een donkere stip in het treurig drama uitmaakte, is eindelijk terecht. Het is bewezen, dat hij aan de vermoorde behoorde. Door de eigenaardige inrichting van den brander waren er hier geene glazen voor te vinden. Om het breken van glazen te voorkomen, werd hij dan ook zelden gebruikt. Men heeft nu in eene der kasten een paar glazen gevonden, die bleken op dien lamp te passen.

Ook verneemt men thans, dat Mej. J.B. zich wel eens uitgelaten had een lamp te bezitten, dien zij weinig brande, omdat zij daarvoor glazen uit Alkmaar moest laten medenemen. Daar over deze lampgeschiedenis allerlei geruchten de ronde deden, verheugt het ons dubbel dat in deze donkere zaak licht is ontstoken.

_ Heden, Dinsdag 9 October werd op onze begraafplaats het monument op het graf van mej. de Wed. BUETE en hare nicht ANNA BEIERS, geplaatst. Het geheel heeft een plechtig aanzien en maakt een goeden indruk. Het is een staand terracotta-kleurig beeldhouwwerk, waarin drie zwartmarmeren platen zijn aangebracht, waarin met vergulde letters staat gegrift:

Het monument is gekroond door een weenende, wit-marmeren vrouw, en rust op een blauw-hardsteenen voetstuk.

Voor het gedenkteeken staan in nette zwart-gelakte trommels, de vijf kransen.

Het geheel is omgeven door een sierlijk zwart hek met zilverkleurige speren en op de hoeken en in ’t midden versierd met bronskleurige ballen en spiralen.

Wordt vervolgd.

Geef een reactie