Stationskwartier Dijk en Waard heeft een lange voorgeschiedenis. Deel 9.

Het Stationskwartier is de nieuwe naam voor het stationsgebied van Dijk en Waard, aldus het College van Burgemeester en Wethouders en het heeft alles in zich om door te groeien naar een goed bereikbaar en aantrekkelijk stedelijk (OV-)knooppunt, waar belangrijke functies en voorzieningen samenkomen. Het had niet veel gescheeld of Dijk en Waard zou nu geen spoorverbinding hebben gehad als er 167 jaar geleden vooral vanuit Schagen niet een lobby zou zijn geweest om het Nieuwediep/Helder* een spoorwegverbinding te geven met Alkmaar, Castricum, de Zaanstreek tot Amsterdam. In deze serie wil ik u laten zien hoe volgens de kranten uit die tijd die spoorverbinding tot stand is gekomen. De geciteerde krantenartikelen zijn in de oorspronkelijk vorm overgenomen.

Burgemeester Henry Robert de Meêr.

Er is weinig bekend over deze burgemeester die toch als één van de voortrekkers is geweest in de lobby voor een spoorlijn oostelijk van het Noordhollandskanaal. Je treft zijn naam in de kranten slechts aan onder de officiële aankondigingen die in de krant werden gepubliceerd. Naast burgemeester van Schagen was hij boekdrukker in Schagen. Hij moet omstreeks 1817 zijn geboren in ’s Gravenhage en trouwt op 13 juni 1867 in Schagen met Johanna Maria Liscaljet die in Amsterdam is geboren op 26 februari 1820 of 1821. Zij was in Schagen boekhandelares/boekhandelaarster.

In één van de publicaties van het Westfries Genootschap wordt Henry Robert de Meêr genoemd als organisator van een demonstratieve tocht met veertig koetsjes naar Den Haag om de regering onder druk te zetten om voor de oostelijke variant van lijn K te kiezen. Hij zou dit in 1861 op eigen kosten hebben gedaan, maar ik heb daarover in de pers uit die tijd niets terug kunnen vinden en ook niet uit de raadsverslagen.

De Schager Courant meldt over de stationskwestie op 13 november 1862, pag. 2 het volgende;

Wij zagen met genoegen, uit het, ten raadhuis alhier ter visie liggend proces-verbaal van de Commissie benoemd uit Heeren Gedeputeerde Staten tot het aanhooren der bezwaren, die door de belanghebbenden zijn ingebragt tegen het plan voor den aanleg van den spoorweg van het Nieuwediep tot het Niedorper-Verlaat, opgemaakt ter voldoening aan art. 10 der wet op onteigening, dat onder anderen door den Heer H.R. de Meêr, burgemeester onzer gemeente, namens de Raad is opgekomen tegen de daarstelling van een station 5e klasse voor de gemeente Schagen en dat het advies der Commissie luidt als volgt: “De Commissie is het met den Raad van Schagen geheel eens dat een station der vijfde of laagste klasse voor die gemeente geheel onvoldoende zou zijn. Schagen, de hoofdplaats van het kanton, is het centraal punt van het Noordelijkste gedeelte der provincie. Het is geheel een handelsplaats en het verkeer is er oneindig veel drukker dan op eenig dorp benoorden Alkmaar; De wekelijksch markten te Schagen worden druk bezocht en de jaarmarkten die aldaar worden gehouden zijn hoogst belangrijk.

Schagen mist thans nog een goede gelegenheid tot afvoer van producten die ter markt worden gebragt, is die gelegenheid door den spoorweg evenwel opengesteld dan zal het markt-verkeer vermoedelijk nog aanmerkelijk toenemen.

Met het oog op het boven aangevoerde meent de Commissie dat zoowel voor het vervoer van personen, als voor het vervoer van goederen, Schagen behoefte heeft aan een station van eene hoogere klasse en ondersteunt zij dan ook ten dringenste het door de Raad gedaan verzoek”.

Wanneer bovenstaand advies, de noodige ondersteuning van de zijde van den eerst aanwezenden Ingenieur mag erlangen, waaraan wij niet twijfelen, bestaat alle grond om te vertrouwen dat de Minister van zijn genomen besluit, betrekkelijk de klasseficatie van het Schager-Station, terugkome.

De onteigening van gronden.

Op 18 december 1862 weet de Schager Courant te melden dat de Minister van Binnenlandse Zaken de koopakten tussen landeigenaren en het Rijk heeft goedgekeurd en dat binnen drie weken na 12 december de uitbetaling van de overeengekomen grondprijzen aan de eigenaren zal worden uitbetaald.

Wie de lokale kranten langs de plaatsen waar de spoorlijn komt te liggen, valt het op dat met het vorderen van de werkzaamheden ook de onteigening van gronden daar iets op de werkzaamheden vooruitloopt. Eerst nog richting Alkmaar en van daaruit richting Castricum – Zaanstreek.

Die aankondigingen werden niet alleen in de lokale pers, maar ook op de gemeentelijke informatieborden aangegeven en die mededelingen zagen er dan uit zoals deze van de gemeente Oudorp in maart 1863;

Staats-Spoorwegen

Lijn K, Sectie 2.

Gemeente OUDORP.

Het Hoofd van het Gemeentebestuur van den OUDORP, maakt belanghebbenden bekend.

1o.  dat de Grondplans en daarbij behoorende Stukken, voor den aanleg van den Noord-Hollandschen Spoorweg, gedeelte van Niedorper-Verlaat tot Alkmaar, voorzoover deze gemeente aangaat, overeenkomstig art. 12 der wet van 22 Augustus 1851 (Staatsblad No. 125), den 26 dezer, op de Secretarie dezer gemeente zullen worden nedergelegd, om aldaar ter inzage van een ieder te blijven, tot de Commissie, bedoeld bij art. 10 en 11 dier wet, hare werkzaamheden in deze gemeente heeft volbragt:

2o. dat het uitgewerkte plan van den geheelen spoorweg door H.E.G.A. Gedeputeerde Staten dezer Provincie den Burgemeester van Alkmaar is toegezonden, om door Z.E.A. in die gemeente ter inzage te worden nedergelegd en aldaar te verblijven tot genoemde Commissie hare werkzaamheden heeft ten einde gebragt.

3o. dat die Commissie tot het aanhooren der bezwaren tegen het plan van dezen spoorweg, bijeenkomt ten Raadhuize dezer gemeente, op Zaterdag, den 21 Maart 1863, van ’s voormiddags 11 ½ ure tot ’s namiddags 1 ure.

4o dat hij de belanghebbenden uitnoodigt om hunne bezwaren te dien tijde bij die commissie in te brengen. Oudorp, den 21 Feb. 1868. De burgemeester, W. BOS.

Castricum.

Voor de gemeente Castricum is in die tijd ook nog vrij lang onduidelijk aan welke zijde van het dorp de spoorlijn zou komen te liggen. In maart 1863 is nog sprake van het feit dat de lijn ten oosten van het dorp zou komen. Waarom deze uiteindelijk aan de westkant is gekomen heb ik niet kunnen achterhalen. Het kan te maken hebben gehad met een betere ondergrond aan de westzijde van het dorp, dicht tegen de duinen aan, maar mogelijk heeft men in tegenstelling tot de gemeente Schagen hier rekening gehouden met het uitbreiden van Castricum in oostelijke richting. De duinen in was beslist geen optie. Van de gemeente Schagen was al bekend dat zij met de ligging van de lijn en het station oostelijk van hun gemeente niet erg gelukkig waren, omdat men toen plannen had om de gemeente oostelijk uit te breiden.

Niedorper-Verlaat/Noord-Scharwoude.

In veel van de aanbestedingen en plannen tot de aanleg van de spoorlijn wordt gesproken over de route Schagen-Niedorper-Verlaat, terwijl het uiteindelijke station de naam Noord-Scharwoude krijgt en toch geografisch gezien in de polder Heerhugowaard ligt. Dat kwam doordat Staatslijn K door de polder Heerhugowaard richting Zijdewind liep en daarbij de polder Amerswiel doorkruiste, een enclave van Noord-Scharwoude in de polder Heerhugowaard. Aan de zijweg van de oude verbindingsweg van Oudkarspel en Heerhugowaard naar het Niedorper Verlaat, de Laan- of Laanderweg verrees op flinke afstand van de dorpen het station Noord-Scharwoude.

Een kaart van de provincie Noord-Holland van de gemeente Noord-Scharwoude uit 1870 laat zien hoe het zit.

Het geel omcirkelde gebied ‘de Coog’ (Amerswiel) lag binnen de bedijking van de polder Heerhugowaard, maar behoorde bij de gemeente Noord-Scharwoude. In de volksmond ook wel de Noordscharwouderpolder genaamd. Op het uiterste puntje van het Noordscharwouder grondgebied doorsneed de spoorlijn dit gemeentelijk eigendom en kreeg Noord-Scharwoude zijn eerste station.

Wordt vervolgd.

Geef een reactie