Een aantal jaren geleden publiceerde ik, via ‘printing on demand’, het boek “Aartsrivalen” over mijn onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan Kloosterboer en Fred Groot. Op een bepaald moment gingen de papierprijzen omhoog en kwam het erop neer dat ik geld toe moest geven op de boekverkoop via BOL.com. Daarop besloot ik het boek uit de handel te nemen. Echter via oudere artikelen op mijn site over het onderwerp bleef er vraag naar bestaan en daarom heb ik besloten het boek eens in de twee weken, in delen, hier op schaduwrijklangedijk te publiceren.
De voorzitter van de Stichting Langedijker Verleden, Hans de Graaf, is overigens de mening toegedaan dat de navolgende publicaties niets te maken hebben met het historische verleden van Langedijk, maar vallen onder de geschiedenis van Sint Pancras. Het is maar dat u weet hoe de genoemde stichting met het verleden van de eigen gemeente omgaat.

In een periode van twee jaar heb ik onderzoek gedaan naar twee mensen die door berichten in de pers op mijn pad kwamen. Het begon allemaal met een krantenartikel uit 1947 dat tussen stukken zat die ik ooit van iemand erfde. Op mijn weblog www.schaduwrijklangedijk.nl besteedde ik daarin mei 2016 al in een drietal artikelen aandacht aan en zoals dat dan gaat, riep dat reacties op van mensen. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en om echt een goed beeld te krijgen, was nader onderzoek noodzakelijk.
Dat kwam vooral ook omdat de artikelen die ik naar aanleiding van het eerste krantenartikel nazocht heel suggestief in taalgebruik waren. In eerste instantie was ik nieuwsgierig naar de hoofdpersoon in het krantenartikel, ‘Barre Jan’ Kloosterboer. In tweede instantie werd ook de journalist van de krantenartikelen, Fred P. Groot, interessant. Voor het onderzoek naar Jan Kloosterboer heb ik gebruik gemaakt van de strafdossiers in Het Nationaal Archief in Den Haag CABR 2.09.09 en wel de archiefbescheiden CABR 944 en CABR 318. Voor onderzoek naar Fred Groot heb ik gebruik gemaakt van de archiefbescheiden CABR 1907, CABR 94016 (PRA 279) en CABR 76468.
Waar ik in mijn navolgende studie hen citeer heb ik gebruik gemaakt van bovenstaande archiefbescheiden. Een groot deel van mijn studie is opgebouwd uit wat erover in de pers werd geschreven en daarbij heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de digitale mogelijkheden van Delpher en het Regionaal Kranten Archief Alkmaar, welke ook steeds als bron worden genoemd en geciteerd. Regelmatig heb ik gebruik gemaakt van het Stadsarchief Amsterdam dat op mijn verzoek een groot deel van hun KNSM-archief voor mij digitaliseerde en ben ik dank verschuldigd aan de bibliothecaresse van het Scheepvaartmuseum in Rotterdam die voor mij de koers uitzette naar het Stadsarchief Amsterdam. Fotomateriaal heb ik geput uit eigen archief en waar ik dat van elders heb gehaald wordt de bron genoemd.
De dossiers van Jan Kloosterboer en Fred Groot bij het Nationaal Archief in Den Haag behoorden tot de categorie ‘beperkt openbaar’ en konden niet gefotografeerd worden, maar waren slechts in te zien waarbij het was toegestaan met potlood aantekeningen te maken. Het onderzoek heeft wat dat betreft een behoorlijk aantal reizen naar Den Haag gekost. Neemt niet weg dat het Nationaal Archief een prachtig instituut is en waar je op een geweldige manier wordt geholpen.
Over de heren Kloosterboer en Groot zou een uitgebreid verhaal kunnen worden geschreven en dat was ik ook van plan. Echter zat ik mij op een bepaald moment van mijn onderzoek af te vragen hoe de beide heren in de situatie waren gekomen die tot de strafdossiers leidden. Wat was eraan voorafgegaan, wat was hun achtergrond en hoe was hun leven in de aanloop naar de periode waarin zij in het nieuws kwamen?
Ik ben daarom in hun tijd teruggegaan en heb het leven van Jan Kloosterboer vanaf zijn geboorte trachten op te pakken aan de hand van zijn eigen latere verklaringen in het strafdossier als van wat er in de lokale als regionale pers over hem verscheen met daarbij artikelen en ingezonden stukken die een beeld van zijn leven tonen. Fred Groot komt eigenlijk pas aan de orde op het moment dat hij als kantoorbediende bij de Fa. Gebr. Kloosterboer wordt ontslagen. Vanaf dat moment geven beide heren vorm aan mijn studie ‘Aartsrivalen’. Daar waar wordt geciteerd, wordt de Nederlandse taal van dat moment gebruikt, omdat dat het juiste historische beeld en klank geeft van de tijd die het bestrijkt.

Wordt vervolgd.