Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 10

Belichten of oplichten? 

De artistieke leiding van het Publiekstheater had iets met Svobodalichtbakken. Te pas en te onpas kwamen die Svobodabakken uit de opslag. 

Joseph Svoboda was een decor- en lichtontwerper die in de jaren vijftig van de vorige eeuw als chef decor en techniek werkte bij het Nationale Theater in Praag. Decors van hem worden tot op de dag van vandaag door de Praagse opera gebruikt. Naam maakte hij in 1958 toen hij met regisseur Alfred Radok een decor ontwierp waarin hij met behulp van veel projectieschermen en lichteffecten toneelspel en mime naadloos liet overgaan in filmbeelden. Daarmee legde hij de basis voor zijn eigen theater, Laterna Magika in Praag. Tijdens de Fluwelen Revolutie, de geweldloze omverwerping van het communistische regime in 1989 was dat het centrum van waaruit de latere president en één van de leiders van die revolutie, Vaclav Havel de wereldpers te woord stond. 

In het Nederlandse theater heeft Svoboda eind jaren vijftig, begin jaren zestig voor het Hollandfestival licht en decors ontworpen, maar is bij de gezelschappen vooral bekend geworden door de door hem ontworpen Svoboda-lichtbakken, bestaande uit in rij geschakelde laagspanningslampen. Een kopspiegellamp die door reflectoren smalle lichtbundels gaven. De bakken aan één gekoppeld gaven een muur van licht, waardoor decor en/of spelers achter dat licht aan het oog van de kijkers werden onttrokken en er gechangeerd kon worden. 

Bij Publiekstheater werden Svoboda-bakken dus ook gebruikt. Ik had een bloedhekel aan die bakken. Ze moesten worden gekoppeld en je liet ze in twee trekken oplopen. Het was vervelend als er een bolletje stuk was, want dan brandde de hele bak niet en moest je bolletje voor bolletje kijken welke er precies stuk was. In mijn optiek hadden ze maar één voordeel; de lichtintensiteit was groot en ze warmden het toneel lekker op. 

In de Stadsschouwburg van Amsterdam was er op een bepaald moment een lamp stuk en één van de belichters van de schouwburg zou vlak voor koffietijd, rond 11.00 uur, de kapotte lamp opzoeken. De batterij Svoboda werd aangezet en op werkhoogte gehangen en wij gingen met zijn allen alvast naar beneden voor de koffie. Al snel was de kapotte lamp gevonden en vervangen en de belichter kwam ook koffiedrinken. Hij had alleen de Svobodabatterij laten branden met tot gevolg dat toen wij weer op het toneel kwamen er twee banen balletvloer volledig waren weggesmolten. 

De Svoboda-bakken werden bij het Publiekstheater nooit gebruikt voor waar ze waren bedacht; een lichtscherm. Ik denk dat ze alleen in de MacBeth voorstelling wel een keer op zestig, misschien tachtig procent hebben gebrand, maar daar hield het dan mee op. Ze werden meer als overall tegenlicht door ons gebruikt, omdat ze er nu eenmaal toch hingen. 

Er gebeurden wel vaker dingen met licht die om ‘zogenaamd’ artistieke redenen werden gedaan, maar in de uitvoering totaal overbodig leken. Vaak was dat een gevolg van eindeloos of misschien ook wel oeverloos artistiek geleuter vanachter de regietafel in de zaal tijdens het maken van de standen. Vaak werd voor de opstart en de première van een voorstelling ergens in het land voor een aantal dagen een theater gehuurd waar het decor voor het eerst werd opgebouwd. Voor ons als technici was dat vaak het eerste moment dat we de ellende waarmee we op reis werden gestuurd zagen. Natuurlijk hadden we in de beginfase van de repetities wel al eens een maquette gezien en met een beetje geluk daar een mening over mogen ventileren. 

Soms hoorde je wel eens iets terug van de chef technische dienst als er in het ontwerp zaken zaten die op toneel voor problemen zouden kunnen zorgen, maar verder maakte je weinig kans om in het voortraject iets van het decor mee te krijgen. Tijdens zo’n eerste bouwdag liepen we dus vooral te kijken hoe we het decor zonder al te veel problemen veertig of vijftig keer zonder schade in en uit elkaar konden krijgen en was het zaak om uit te dokteren hoe we decor en licht zo efficiënt mogelijk, tegelijk met elkaar, konden opbouwen. In principe was de eerste inspiciënt de lichtontwerper van het gezelschap. In de jaren zeventig, zeker in het begin, werden er alleen bij het Nationale Ballet en de Nederlandse Opera lichtontwerpers voor hun producties ingehuurd. 

Op het eind van zo’n bouwdag, als ook het licht hing en was gesteld, kwamen de regisseur, decorontwerper en regie-assistent binnen om een blik te werpen. Soms moesten er dan nog dingen worden verhangen en veranderd en na het avondeten namen de regisseur en de decorontwerper met de chef technische dienst achter de regietafel in het midden van de zaal plaats. 

De regie-assistent moest op toneel blijven en op verzoek van de heren achter de tafel de mise en scène van de acteurs lopen om te zien of een acteur in de nieuw gemaakte lichtstand niet in het donker zou staan. De communicatie tussen de tafel en toneel verliep in de beginjaren via een intercom en later via een headset. Door gebruik van headset konden meerdere mensen meeluisteren. Daardoor liepen zaken ook wat sneller dan via de intercom, maar over de andere kant hoorde je dus ook het eindeloze artistieke geouwehoer. 

Door dat oeverloos ouwehoeren ontstonden er dus ook vaak lichtstanden die totaal geen nut hadden. Punt is namelijk dat ogen heel snel wennen aan licht en lichtveranderingen. Als je, zoals regisseur en decorontwerper achter de regietafel met elkaar het gesprek aangaat over een gemaakte stand, of hij functioneel is of aan de verwachtingen voldoet dan zie je zo, artistiek als je dan ook misschien bent, op een bepaald moment ook niet meer wat je hebt veranderd. 

Bij het ballet hadden we zo een choreografie waarbij al het zijlicht in tien seconden van veertig naar vijfenveertig graden ging. Ik kan u vertellen; ”DAT VALT NIEMAND OP!!!!” 

Dat waren ook standen die ik in de praktijk ook nooit maakte. Hans Dowitt, de voorstellingsleider toen bij het Nationale Ballet, gaf dan attentie voor de bewuste stand en daarop “NU”. Er waren ook wel inspicienten en voorstellingsleiders die hun standen als volgt doorgaven: “Attentie voor stand tien!” en iets later gevolgd door; “JA”

Daar zat enig risico aan vast, want soms kwam er iemand bij de inspicient of voorstellingsleider met een vraag en het risico zat erin dat het werd beantwoord met JA. Zelf gaf ik mijn standen en andere ques als volgt door; “Attentie voor stand 10 tot en met 13!” gevolgd door; “Stand 10 . . .NU, stand 11 . . .NU, stand 12 . . .NU en stand 13 . . .NU of als ze echt snel achter elkaar zaten de lichtstanden alleen door “Nu”, “Nu”, “Nu”.

Bij de stand die Hans Dowitt doorgaf vroeg ik hem na een korte poos dan via de headset wat hij ervan vond. Hij vond het altijd prachtig. 

“Goh, dat is bijzonder Hans! Ik heb niets gedaan!”

 Waar dat artistieke geleuter over kon gaan? Tijdens het uitlichten van MacBeth in de stadsschouwburg van Amsterdam hoorde ik Hans Croiset tegen de chef technische dienst, Hits van de Fraspel, klagen over het tramgeluid buiten op de Marnixstraat. Het was, ik meen lijn 7, die van de Weteringschans in een slinger via Leidseplein de Marnixstraat vice versa in reed. Dat piepte enorm en Hans Croiset vond dat dergelijke geluiden van buiten niet bij MacBeth hoorden. Hij beklaagde zich bij Frits van de Haspel en die vertelde Hans dat hij het Gemeente Vervoer Bedrijf er over zou bellen om wat aan dat piepen te doen. Waarop ik reageerde door hem te adviseren ook Schiphol alvast maar te bellen om iets te doen aan de overvliegende vliegtuigen. 

Dick Heinz vertelde me eens dat ze de artistieke leiding bij Ensemble wel voor de gek hielden met licht als ze in de Kleine Komedie technische dagen hadden. De Kleine Komedie had in die dagen niet veel licht, maar ook niet veel extra elektrisch vermogen om meer licht in te hangen. Als regisseur en decorontwerper een volle stand met licht wilden en Dick had het vermoeden dat de daaropvolgende stand nog voller moest dan maakte hij de gewenste stand en terwijl de artistieke staf hun werk met elkaar bespraken, trok hij het licht weer langzaam terug naar tachtig procent. Zoals hier eerder gezegd ogen wennen heel snel aan het licht. Wilden ze toch nog meer licht in die stand dan moesten ze even wachten, want dan zou Dick kijken wat hij nog kon doen. Na verloop van tijd vroeg hij ze of ze even wilden kijken dan zou hij ze wat laten zien. Hij schoof dan snel een aantal faders van tachtig naar honderd en terwijl ze daarover spraken, smokkelde hij het weer terug naar tachtig. 

Dick kon in hun ogen dan ook bijna niet stuk, omdat hij er toch altijd nog weer wat extra’s voor ze had weten uit te slepen. 

Geef een reactie