Een aantal jaren geleden publiceerde ik, via ‘printing on demand’, het boek “Aartsrivalen” over mijn onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan Kloosterboer en Fred Groot. Op een bepaald moment gingen de papierprijzen omhoog en kwam het erop neer dat ik geld toe moest geven op de boekverkoop via BOL.com. Daarop besloot ik het boek uit de handel te nemen. Echter via oudere artikelen op mijn site over het onderwerp bleef er vraag naar bestaan en daarom heb ik besloten het boek eens in de twee weken, in delen, hier op schaduwrijklangedijk te publiceren.
De voorzitter van de Stichting Langedijker Verleden, Hans de Graaf, is overigens de mening toegedaan dat de navolgende publicaties niets te maken hebben met het historische verleden van Langedijk, maar vallen onder de geschiedenis van Sint Pancras. Het is maar dat u weet hoe de genoemde stichting met het verleden van de eigen gemeente omgaat.
De transportstaking van 1926
Rond het aflopen van het contract tussen de transportarbeiders en de groentehandelaren vereniging ‘Koophandel’ gaat het begin juli 1926 weer mis. Het geschil is dit keer niet het salaris waarop de onderhandelingen stuk lopen, maar is gelegen in artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst. ‘Koophandel’ wil het oude contract niet handhaven en wenst dat in Artikel 2 wordt bepaald dat de koopman/handelaar het recht heeft op één vaste arbeider, buiten de gecontracteerde arbeiders om, dus dat hij kan nemen wie hij wil om zijn producten te verladen.
De Transportarbeiders organisatie is tegen dat laatste, omdat zij daarin het gevaar ziet dat andere transportarbeiders slechts aan de beurt komen wanneer de vaste arbeider de klus niet af kan. Pas op 30 augustus 1926 is de staking voorbij en is er aan de Langedijk veel beroering geweest. Zo heeft Zuid Scharwoude de Algemene Politie Verordening Aangepast om samenscholingen te verbieden, een avondklok in te stellen.
Op de laad- en loswallen zijn in die periode schermutselingen geweest en ‘Koophandel’ en de Transportarbeiders organisatie gingen elkaar ook in de Nieuwe Langedijke Courant met advertenties te lijf zoals:

Dit roept ook weer een reactie in de krant op van de Transportarbeiders organisatie:

Maatschappelijk betrokken
Broer Cees was op velerlei wijze actief in Sint Pancras. Zo was hij voorzitter van de tuindersvereniging in Sint Pancras en daarbinnen was hij actief betrokken bij het onderzoek naar middelen om de koolziektes te bestrijden. Een mededeling daarover in de Alkmaarse Courant14 maakt duidelijk dat zij een middel hebben uitgetest van de firma Osmond uit Rotterdam dat een bestrijdingsmiddel tegen knolvoet, met de naam ‘GASONITE’, in de handel bracht. Op het land van de Gebr. Kossen, gelegen in Westbeverkoog hadden ze een proefveld aangelegd. Het veld was verdeeld in vier perceeltjes, die allen gewoon werden bemest, terwijl daarnaast de veldjes b en d GASONITE werd gegeven tot een hoeveelheid van 1000 kg. per hectare. De veldjes a en c werden daar niet mee behandeld.
De GASONITE werd op 5 april 1927 onder toezicht van Cees Kloosterboer en C. Kossen, onder geploegd.


Op 25 april 1927 werd op het gehele veld rode koolplanten geplant. Bij de eerste controle op 5 juni waren alle plantjes op alle vier de velden nog gezond, op 5 juli al enigszins verdacht, terwijl bij controle op 5 augustus door het bestuur en de heren Hazeloopen en Glas, niet één plant meer overeind stond, maar het volledige perceel voor honderd procent besmet bleek met knolvoet.
De zaken gaan echter in 1927 voor de Fa. Gebr. Kloosterboer voor de wind. Zij versturen in dat jaar hun duizendste spoorwagon met groente.
Beperkende maatregelen pootaardappelen
De Fa. Gebr. Kloosterboer ondervonden nogal wat hinder van de beperkende maatregelen op de export van pootaardappelen en zij hadden hun Duitse afnemers in een uitvoerig schrijven daarover geïnformeerd. Uit een ingezonden brief van de voorzitter van de vereniging ‘Centraal Comité inzake keuring van gewassen’ de heer ir. G.J. Kakebeeke blijkt dat deze daar behoorlijk pissig over was. De heer Kakebeeke brengt op 9 juli 1928 het navolgende persbericht naar buiten:
“Het bekladden van de goede reputatie van de Nederlandse pootaardappelen in het buitenland is alweer begonnen. Tot dusverre zijn bij pogingen om deze handelingen te bestrijden de namen der schuldigen niet publiek gemaakt. Het komt mij echter voor, dat thans geen verschooning meer kan gelden. Als mij weer een ernstige handeling, welke in strijd is met de Nederlandsche exportbelangen, bekend is geworden, meen ik daaraan volledige publiciteit te moeten geven in de hoop dat daardoor een einde wordt gemaakt aan het besmeuren van den goeden naam van een onzer belangrijkste exportproducten. Door Gebr. Kloosterboer te St. Pancras bij Alkmaar is aan Duitsche belanghebbenden een uitvoerige circulaire gezonden, waarvan de volgende zinssneden hier letterlijk vertaald worden weergegeven:
‘Eenige jaren geleden zijn hier keuringsvereenigingen opgericht, waarvan de leden in hoofdzaak eigenaar zijn van groote bedrijven, die hunne aardappelen niet zoo vroeg ter markt kunnen brengen en daarom probeeren hun aardappeloogst te verkoopen als goedgekeurd pootgoed. Zonder die keuring op zichzelf te willen afkeuren, kunnen wij toch niet nalaten uw aandacht te vestigen op de wijze, waarop deze keuringsvereenigingen de pootaardappelen van hare concurrenten (niet-leden) verdacht maken.
Het zal u bekend zijn, dat de voorzitter van de centrale vereeniging een officieel bericht heeft gepubliceerd over bedrog met Nederlandsche pootaardappelen zonder certificaat van die vereeniging, waaraan “der Mittag” destijds een hoofdartikel wijdde. Tevens drong dat blad te Berlijn aan op een invoerverbod. Uit verschillende handelingen van de besturen van deze keuringsvereenigingen blijkt, dat zij niet in de eerste plaats het veredelen van aardappelsoorten beoogen, maar dat zij persoonlijk uit den uitvoer van de door hen goedgekeurde aardappelen winst willen maken. Het komt hier vaak voor, dat degene, die namens de vereenigingen keuren, later de aardappelen van de boeren
koopen en voor eigen rekening van den hand doen. Het is op die wijze in hun belang de niet gekeurde aardappelen verdacht te maken, in de hoop, dat de koopers zich tot hunne vereeniging zullen wenden. Het officieele karakter van de vereeniging steunt hen daarbij. Tegenstanders van deze vereenigingen zijn zeer vele handelaren en boeren die met deze vereenigingen niets te maken willen hebben. Hoe deze aangelegenheid ook zijn moge, vast staat, dat Duitschland bij voorkeur pootaardappelen van gemiddeld 28/35 mm heeft, terwijl op de aan keuring onderworpen velden, waar de boeren eerst dan oogsten, als de aardappelen geheel volgroeid zijn, niet 2 pct. van de jaarlijks door Duitschland benoodigde hoeveelheid in die mate beschikbaar zijn. Wij constateeren hiermede dus, dat de vraag naar officieel gekeurd pootgoed een luxe is, welke in de eerste plaats geld kost en in de tweede plaats geen grootere zekerheid biedt voor werkelijk goede pootaardappelen dan indien men poters vroegtijdig bestelt bij een betrouwbare firma, omdat die dan in staat is de oogst van goede boeren te koopen. Het zal niet noodig zijn, hier uiteen te zetten, dat in deze beweringen de feitelijke toestand opzettelijk in lijnrechten strijd met de werkelijkheid wordt weergegeven.’
Men kan zich op het standpunt stellen, dat een dergelijke poging om de keuringsinstituten, aan welker werking grootendeels de goede naam van onze pootaardappelen in het buitenland te danken is, te verzwakken, geen groter kans op succes zal hebben dan wanneer een muis zou trachten, een stalen kabel door te bijten. Of wel, dat de resultaten van deze verheffende pogingen op den insteller zelf terug zullen vallen. Ik acht dit zelfs niet onwaarschijnlijk. Maar al was het alleen om te voorkomen, dat dit “Holland op zijn smalst” aan het buitenland te vertoonen, verdere navolging vindt, acht ik het noodig aan deze handelingen van de Gebroeders Kloosterboer volle bekendheid te geven.
Hoewel men binnen de bij de Langedijker Groenten Centrale aangesloten tuinders niet altijd even gecharmeerd van de gebroeders Kloosterboer waren, konden velen zich wel vinden in de kritische houding van de beide broers. Veel tuinders werden financieel ook getroffen door de regelgeving met betrekking tot keuring van de gewassen. Het waren ook regels die veelal bedoeld waren om de export tegen te werken en zo voldoende voedsel in eigen land te houden.
Een redactioneel commentaar in de Alkmaarse Courant van 19 juli 1928 gaat dan ook in tegen het door Kakebeeke uitgebrachte persbericht:
“Het perscommuniqué van den heer Kakebeeke, inspecteur van den landbouw.
De pootgoedcommissies, de export van pootgoed en zijn gevolgen. Het persbericht, onlangs in de verschillende bladen opgenomen van de zijde van den inspecteur van den landbouw, den heer Kakebeeke, handelende over laakbarepraktijken van de aardappelhandelaar i.c. de gebroeders Kloosterboer te St. Pancras, heeft aan den Langedijk en zonder twijfel ook wel in andere streken, waar teelt van vroege aardappels van groote beteekenis is, heel wat commentaren uitgelokt.
In de eerste plaats gaf het perscommuniqué voedsel aan de meening, dat dit met de beste bedoelingen in het belang van den tuinbouw was gelanceerd, maar in de tweede plaats was de inhoud van dien aard, dat men zich noch in handels-, nog in tuinbouwkringen accoord kon verklaren. Te meer gaf dit perscommuniqué aanleiding tot verschillende beschouwingen, omdat hier de laatste twee jaren een wrijving van gedachtenen meeningen is ontstaan naar aanleiding van de gestie van de pootgoedcommissie van den Noordermarktbond.
Mag het in het algemeen waar zijn, dat du choc des opinionsjaillit la vérité *, dat is hierin zooverre waar geweest, dat door de herhaalde polemiek met den heer J. Groen Az. te Zuidscharwoude, die het voor de pootcommissie opnam, dit is komen vast te staan, dat die pootgoedcommissie zelf handel dreef in goedgekeurde aardappelen en ter betere aanbeveling en mogelijkheid van een grooteren afzet zelfs een stand had op de Brusselse tentoonstelling. Dit was den handel een doorn in het oog. Verwonderen behoeft dit aan niemand, die weet, hoe onze handelaars en exporteurs voortdurend in de weer zijn, om de Langedijker producten overal geplaatst te krijgen en er voortdurend naar streven nieuw afzetgebied te vinden. Door steeds te wijzen op de noodzakelijkheid van goede sorteering en verpakking als anderszins, trachten zij voor de Langedijker producten de primeur te veroveren op de markten van binnen- en buitenland, zoodt zij bewezen hebben het vertrouwen der tuinbouwers te verdienen.
Daarmee is natuurlijk niets gezegd ten nadeele van het nuttig werk, dat deze pootgoedcommissies verrichten op het terrein, waarop zij werkzaam behooren te zijn en te blijven. Goedgekeurd pootgoed kan van machtigen invloed zijn op de positie, welke
Langedijk en omstreken op de aardappelmarkt in binnen- en buitenland kan innemen. Doch als de pootgoedcommissie ook de handel in dit artikel tot zich trekt en de vroege pootaardappels in het buitenland tracht te plaatsen dan is toch het gevaar niet denkbeeldig, dat men straks onze vroege aardappelen voor de consumptie niet meer noodig heeft, daar de buitenlanders zelf die vroege aardappels telen. Alle arbeid, besteed aan selectie, teeltkeuze, ziektebestrijding, vervroeging, zal dan ten goede komen aan hen voor wie die voordelen niet bestemd waren. En dit is dan het gevolg van het feit, dat de pootaardappels als export-artikel worden behandeld. Dit kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Onze tuinbouwstreek is aangewezen op het buitenland en als dit zich buiten ons kon redden was het met het bestaan van vele tuinbouwers gedaan. We hoorden zelfs nu reeds verluiden, dat de vraag naar onze vroege aardappels uit Rijnland en Westfalen dit jaar zo gering is, deels doordien men daar zelf heel wat vroege aardappels heeft geteeld met behulp van ons eigen geleverd pootgoed, deels doordien uit België belangrijke hoeveelheden vroege aardappels zijn geleverd, die ook gekweekt zijn van onze naar dat land geëxporteerde poters. Waar het buitenland alles doet, om inlandse takken van bestaan te steunen en te beschermen, acht men het van de pootgoedcommissies verkeerd gezien de met veel zorg en moeite, aan de hoogste eischen voldoende, vroege aardappelen naar het buitenland als pootgoed te leveren. Zij heeft zich in haar werkzaamheden te houden binnen de grenzen, die natuurlijkerwijze om haar werkgebied worden getrokken. Als zij dat doet en ook andere organen blijven binnen den kring, die hun bij bepaalde opdracht is omschreven in ’t belang van den tuinbouw, dan kan veel goeds worden tot stand gebracht, zooals er reeds veel is gedaan de laatste 25 jaar om het tuinbouwvak en zijn financiële resultaten omhoog te voeren. Dit zij de hoofdzaak in het werk van deze commissie; dan kan uit haar werk het meesteen beste resultaat worden verkregen, doordien in binnen- en buitenland kan worden gewedijverd met andere landen, zoowel wat de vroegtijdigheid betreft ten aanzien van den aanvoer als de kwaliteit en de soort van de aardappelen. Wat nu aanbelangt den inhoud van het bovengenoemde perscommuniqué is men het er vrijwel overeens, dat van laakbaar handelingen geen sprake is. Vrij juist is de situatie op het gebied van de vroege aardappelteelt geteekend voor wat het Noorden van Noord-Holland betreft, zooals dit in de geïncrimineerde circulaire van Gebr. Kloosterboer is voorgesteld, doch wat voor den heer Kakebeeke niet is geciteerd. In ’t belang van een onpartijdige beoordeling dezer zaak, die in de volle belangstelling van handelaars en tuinbouwers staat en voor hen van het hoogste gewicht wordt geacht, vermelden we hier de betreffende alinea:
“Wij deelen U mee, dat het Noordelijk deel van Noord-Holland 90% van den geheelen vroegen-aardappelexport voor zijn rekening neemt. In dit gedeelte van het land, waar bijna uitsluitend kleinbedrijven van 2 tot 5 H.A. gevonden worden, bestaat een cultuur, intensiever dan waar ook, en iedere tuinder probeert zijn aardappelsoort nog ieder jaar te verbeteren door steeds de beste aardappels weer als poters te gebruiken en het is hier een wedstrijd, wie de beste, vroegste en zuiverste aardappelen verbouwt. Als dan ook de tuinders hier hunakkers zouden laten keuren, zou 90% dezer aardappelen als goedgekeurde poters in aanmerking komen.”
Met dit al is niet weggenomen het gevaar, dat ons beste pootgoed in groote hoeveelheden naar het buitenland verhuist en dat daaraan dus ook door den handel wordt meegewerkt. Het komt ons dan ook voor, dat deze zaak van zooveel gewicht en van zoo groot belang is, dat handel en tuinbouw deze kwestie in gezonde samenwerking onder de oogen moeten zien, om haar in juiste banen te leiden. Meermalen toch is het beiden organen gelukt, moeilijkheden uit de weg te ruimen en daar het hier geldt een belang, dat beiden ten zeerste raakt, lijkt het ons toe, dat het niet zoo moeilijk kan zijn een gemeenschappelijke basis tot onderhandelen en tevens tot handelen te vinden. Moge het gemeenschappelijk resultaat zijn een oplossing die aan beide ten goede komt. Onze Langendijker tuinders, die zelfs met regeeringssteun zijn geholpen om het hoofd boven water te houden, kunnen geen al te ernstige tegenspoeden verdragen.”

De gedachte was dat uit botsende meningen de waarheid tevoorschijn zou komen.
Wordt vervolgd.