Stationskwartier Dijk en Waard heeft een lange voorgeschiedenis. Deel 13.

Het Stationskwartier is de nieuwe naam voor het stationsgebied van Dijk en Waard, aldus het College van Burgemeester en Wethouders en het heeft alles in zich om door te groeien naar een goed bereikbaar en aantrekkelijk stedelijk (OV-)knooppunt, waar belangrijke functies en voorzieningen samenkomen. Het had niet veel gescheeld of Dijk en Waard zou nu geen spoorverbinding hebben gehad als er 167 jaar geleden vooral vanuit Schagen niet een lobby zou zijn geweest om het Nieuwediep/Helder* een spoorwegverbinding te geven met Alkmaar, Castricum, de Zaanstreek tot Amsterdam. In deze serie wil ik u laten zien hoe volgens de kranten uit die tijd die spoorverbinding tot stand is gekomen. De geciteerde krantenartikelen zijn in de oorspronkelijk vorm/taal overgenomen.

Helder – Haarlem geopend.

Over het gehele jaar van opening, 20 december 1865 – 31 december 1866 leverde de sectie Helder – Alkmaar een verlies op van ƒ 28.943. 

Met de opening op 8 mei 1867 van de spoorlijn Helder – Alkmaar – Uitgeest – Haarlem werd Helder en de rest van de aanliggende stations van Uitgeest tot Helder verbonden met Amsterdam. Drie dagen eerder werd de voltooide spoorweg aldus een bericht in de Almaarsche Courant door de Minister van Binnenlandse Zaken in een speciale treinrit opengesteld;

Zondag is de thans van Nieuwe Diep tot Haarlem voltooide spoorweg het eerst bereden door een trein, waarop zich de minister van binn. zaken, de commissaris des Konings in N. Holland enz. bevonden, en Woensdag is de dienst voor het publiek verkeer geopend, zoodat onze verbinding aan het groote spoorwegnet thans eene werkelijkheid is geworden. Handelaars en reizigers niet alleen zullen deze snellere gemeenschap met andere plaatsen op prijs stellen, ook anderen zullen er door in staat gesteld worden om voor hunne behoeften de goedkoopste en best voorziene gelegenheid op te zoeken. Onze winkeliers zullen daarom door ruimere sorteering en billijke prijzen moeten zorgen, dat hun debiet aan de plattelands-bevolking niet verloren gaat. _ Op de beide dagen vóór de opening werd aan de liefhebbers kosteloos gelegenheid gegeven om een tochtje met het nieuwe vervoermiddel te maken. Vooral Dinsdag werd daarvan druk gebruik gemaakt, zoodat tusschen Alkmaar en Haarlem eene gedeeltelijke wisseling van bevolking plaats had. Aan velen beviel deze verplaatsing zoo goed, dat zij den laatsten trein misten of reeds overvol bevonden, en alzoo op kostbaarder of moeielijker wijze de thuisreis moesten ondernemen.

Ongelukken op en rond het spoor.

Uit de grote toeloop van de bevolking bij de openstelling van een spoorlijn blijkt al dat het spoor in de ruim dertig jaar dat de eerste trein reed een volkomen onbekend terrein was voor het publiek. Als je de kranten uit die tijd erop naleest dan was de trein ook voor de spoorwerkers een terrein dat nog onder de knie gekregen moest worden. Veel ongevallen liepen in die jaren vaak ook slecht af, vooral omdat de medische wereld ook nog niet echt ontwikkeld was. Bij de aanleg van de spoorbanen waren het vaak ongelukken die zich voordeden met de zandwagens die gebruikt werden bij de aanleg van het spoortalud. 

Zo ook bij de aanleg van het spoor nabij Zaandam. De Schager Courant van 12 september 1867, pag. 2 maakt daar als volgt een melding over;

_ In de vorige week had aan den te Zaandam in aanleg zijnde spoorweg een treurig ongeluk plaats. Een arbeider wilde bij het aankomen van den trein met zandwagens, onder het rijden een wagen beklimmen, maar had het ongeluk mis te grijpen en op de rails neder te komen, zoodat een aantal wagens hem over het lichaam reden, met het wel te begrijpen gevolg, dat beide beenen als het ware zijn verbrijzeld. Het is te verwonderen, dat tot heden niet meer dergelijke gevallen zich hebben voorgedaan, daar arbeiders immer die zandwagens onder het aanrijden moeten beklimmen. Waarom niet eerst te stoppen, eer ze bestegen worden?

Naast ongelukken met materieel zijn er ook heel veel ongelukken te melden die voortkomen uit menselijke fouten. Zo meldt de Schager Courant op 9 april 1868, pag. 2 het volgende;

_ De locomotief van den trein die den 31 Maart jl. van Harlingen naar Groningen zou vertrekken is uiteen gesprongen; de stoker Lehman is verpletterd; de passagiers kwamen met de schrik vrij, en op den volgenden dag is de eerste trein Alkmaar-Helder, nabij het Station Heer Hugowaard een ongeval overkomen, dat zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben; men had vergeten de wissel te verzetten de trein liep tegen de veelading, een paar ledige wagons die daar stonden werden gedeeltelijk verbrijzeld en daarmede liep het gelukkig af.

Ook de dieren waren nog niet echt gewend aan het spoor. De Heldersche Nieuwdieper Courant van 9 september 1868, pag1 daarover;

De trein die jl. Zaturdag avond ten 11 ure 10 min. alhier moest aankomen, is tusschen het station Anna Paulowna en hier gedeeltelijk gederailleerd, ten gevolge van een koe, die zich op den weg bevond en door de locomotief verpletterd werd. De passagiers en de beambten zijn allen met de schrik vrijgekomen; alleen heeft een passagier, in zijn angst uit den trein willende springen, met zijne handen de ruit van het portier stuk geslagen, waardoor hij zich aan de glasscherven heeft bezeerd. De machinist heeft den trein zoo spoedig mogelijk doen stilstaan; de locomotief is daarop naar het station alhier gestoomd om andere waggons te halen voor het overbrengen der passagiers, die ten 12 ure reeds hier aankwamen. De werklieden, in dienst van de spoorweg-maatschappij, hebben in den nacht de gederailleerde waggons weder tusschen de rails gebragt; zoodat den volgenden morgen weder ongehinderd in de dienst kon worden voorzien.

Spoorweg tussen Medemblik en Noordscharwoude

Het Comité voor de aanleg van een spoor tussen Medemblik en Noordscharwoude doet ook nog steeds van zich spreken. De Schager Courant van 25 juni 1868 doet daarover op de pagina’s 1 en 2 verslag;

Spoorweg tusschen Medemblik en Noordscharwoude

Het comité tot den aanleg van eenen spoorweg Medemblik-Noordscharwoude heeft aan de meeste gemeentebesturen van het voormalige Westfriesland een circulaire gezonden, waarin het aandringt op deelneming in de garantie der rente van het voor den spoorweg benoodigde kapitaal, welke garantie, indien ’t verlangd resultaat zal worden verkregen, ongeveer per jaar zal dienen overeentekomen met ƒ 1 per hoofd van de bevolking, zijnde daarbij echter niet gerekend op provinciaal subsidie, ingeval deze wordt verleend dan zal het bedrag, waarvoor iedere gemeente dient in te staan, minder kunnen zijn. Volgens de berekening van het comité is het bedrag van het voor den aanleg vereischte kapitaal groot p.m. ƒ  1,000,000. Na verloop van eenige jaren zoude de zuivere opbrengst per jaar bedragen ƒ 45,000 en dus stijgen tot eene som nagenoeg gelijkstaande met de rente van het aanlegkapitaal. De gevolgen van de garantie zouden derhalve zich oplossen in het geven van een renteloos voorschot gedurende eenige jaren. Wij kunnen niet nalaten om de ernstige overweging dezer circulaire aan alle betrokkene gemeente-besturen, aanbevelen, en ingeval na naauwgezet onderzoek blijkt, dat de daarin ontwikkelde veronderstellingen juist zijn, zoo althans die garantie niet ten eenemale de financiële krachten der gemeente te boven gaat. Het behoeft toch niet betoogd te worden welk een voordeel een spoorweg voor de geheele streek, door welke hij gaat, oplevert. Het is waar wij zijn steeds van het staatshuishoudkundige beginsel uitgegaan, dat men zoo min mogelijk van den staat, de provincie of de gemeenten ondersteuning moet vorderen. Maar de ondervinding is de beste leermeesteresse en als deze in strijd is met de obstracte leerstelling der wetenschap, dan moet men, zonder daarom de laatste geheel en al te versmaden toch aan de eerste de voorkeur geven. Nu heeft de ondervinding geleerd, dat de aan zich zelven overgelaten krachten van particulieren onmagtig zijn om spoorwegen, waterwegen, enz. tot stand te brengen. Van alle spoorwegen in ons land zijn alleen de Centraal-spoorweg en de lijn van Almelo-Salzbergen door particulieren zonder dadelijke medewerking van den Staat gelegd en men weet dat de actiehouders van den eerste al heele slechte zaken hebben gemaakt.

Een week later publiceert dezelfde krant op de openingspagina een aanvulling op dat bericht;

Onze lezers zullen zich herinneren dat in het laatsvoorig nummer van dit blad, in een stuk getiteld: Spoorweg tusschen Medemblik en Noordscharwoude, gezegd is dat het comité tot aanleg van dien weg, eene circulaire, waarin het aandringt op deelneming in de garantie der rente van het voor aanleg benoodigd kapitaal, heeft verzonden aan de meeste gemeentebesturen van het voormalig Westfriesland.

Wij zijn er opmerkzaam op gemaakt en deelen daarom mede dat dit onjuist is; het comité heeft zich slechts gewend, tot de besturen der gemeenten welke door den geprojecteerden weg zullen doorsneden worden en van die welke nabij liggen. Het zijn, aanvankelijk althans, niet meer dan 13 gemeentebesturen aan welke bedoelde circulaire afgezonden is.

Wij zijn tevens in de gelegenheid gesteld, ter vervanging van hetgene, in bedoeld stuk, uit de circulaire van het comité aangehaald is, het volgende mede te deelen.

Het comité beschouwt den weg welken het voostaat, niet anders dan als de eerste schrede om tot eene hoogstbelangrijke verbinding te geraken en tevens tot eene aansluiting aan het spoorwegnet, van geheel het zuidoostelijk deel van Noord-Holland; het rekent er op dat uiterlijk 10 jaren na het in exploitatie komen der lijn Medemblik-Noordscharwoude,

1.         eene spoorverbinding langs den kortsten weg (altijd natuurlijk met eene stoombootdienst tusschen beide) zal tot stand gekomen zijn tusschen de staatsspoorwegen welke door Friesland en Noord-Holland gaan en

2.         eene vertakking der Noord-Hollandsche sectie van die verbinding, of met andere woorden: eene vertakking der lijn Medemblik-Noordscharwoude op de steden Hoorn en Enkhuizen met hare omgeving, zal daargesteld zijn.

Zoolang nu de lijn Medemblik-Noordscharwoude op zich zelve ligt, verwacht het comité geene genoegzame opbrengst om, na aftrek der exploitatiekosten, in de betaling der rente van het aanlegkapitaal te voorzien en het is met het oog dààrop dat garantie gevraagd wordt. Zijn de bedoelde verbinding en vertakking tot stand gekomen, dan zal, naar de meening van het comité, niet alleen geene bijpassing meer noodig zijn, maar zal hetgene dan reeds bijgepast is, bij het kapitaal van aanleg kunnen worden gevoegd; de opbrengst wordt dan voldoende geacht om de exploitatiekosten en de rente van het alzoo verhoogd aanlegkapitaal te dekken en daarenboven eene langzame aflossing toetelaten.

Het comité heeft zijne berekeningen en onderstellingen gegrond op eldere verkregen uitkomsten en op hetgene in andere localiteiten plaats heeft en aangetroffen wordt.

Aan ongelukken geen gebrek.

De Schager Courant van 4 maart 1869, pag. 2 meldt een ongeluk van een stoker;

Op Maandag den 1 dezer maand is aan het Station van den Noord Hollandschen Spoorweg te Schagen, een vreeselijk ongeluk gebeurd; bij aankomst van den eersten trein uit Amsterdam, des voormiddags ten 111/4 uren, had de stooker LeDuc, een jongeling van 22 jaren, de onvoorzichtigheid, van de machine te springen vóór de trein volkomen stil stond met het ongeluk gevolg dat hij viel en uitgleide, onder de wagens, waarschijnlijk doordien zich een weinig sneeuw op het trottoir bevond; het wiel dat nog slechts eene halve wenteling te doen had ging over de beenen en verbreizelde beiden.

De chirurgijns Koelman en de Boer uit Schagen waren zeer spoedig en de heer Haaremaker, uit den Helder, per telegram ontboden reeds ten 123/4 ure op de plaats des onheils tegenwoordig; in den namiddag van denzelfden dag werd het ééne en den volgenden morgen het andere been geamputeerd, beide ver boven de knie.

In den loop van laatst gemelden dag bragt zijne familie die te Haarlem woonachtig is, als mede het meisje waarmede hij over veertien dagen dacht in het huwelijk te treden, hem een bezoek; de patiënt bevindt zich, vrij wel en volkomen bij zijn positive; zijn toestand blijft echter zorgwekkend.

Wordt vervolgd.

Geef een reactie