Mijn vader heeft zijn hele werkzame leven gevaren op schepen van de Nederlandse koopvaardij en hoewel hij altijd maling had aan gezag, hield hij zich altijd stipt aan het protocol van het vlaggen.

In de havens werd bij zonsopkomst de Nederlandse vlag gehesen aan de vlaggenstok achter op het sloependek. De lichtmatroos aan boord had dat als vaste taak en hij moest er ook voor zorgen dat de vlag weer voor zonsondergang werd gestreken, opgevouwen en opgerold zoals dat hoorde en opgeborgen in de vlaggenbak in het stuurhuis.
Voor beginnende zeelieden als de lichtmatroos was dat vaak nog een hele verantwoordelijke klus die ook niet altijd even goed uitpakte, want de goede kleur moest wel op de goede plek zitten. De witte kleur was echter nooit een probleem.
Vanaf mijn achtste jaar ging ik tijdens de zomervakantie altijd met mijn vader mee. Hij voer in de houtvaart en dat hield in dat er meestal op de heenreis in Delfzijl zout werd geladen voor de cellulosefabrieken in Zweden. Als daar was gelost ging het in ballast naar andere plaatsen in Zweden of Finland om hout te laden. Eén van de eerste keren dat ik me was lagen we in Kotka, Finland, en achter ons lag een Finse KNSM-er. Een grote vaart boot van een Finse rederij die een contra gekleurde schoorsteen (wit-zwart-wit-zwart-wit) had aan die van onze Nederlandse KNSM.

Wij lagen met onze kont bijna onder de voorsteven van die boot en het was mij opgevallen dat de matrozen daar op de voorplecht de nodige lol hadden over ons schip. Pas tegen pikheet (koffie) rond tien uur ontdekte ik op het sloependek waar de hilariteit vandaan kwam. Keurig wapperde die morgen de Nederlandse driekleur in de wind met boven in de kleur blauw. Tijdens pikheet zat ik altijd in de bemanningsmessroom bij de matrozen. Dat was veel leuker voor een snotneus van mijn leeftijd dan bij de officieren. Om de lichtmatroos niet voor lul te zetten had ik hem vlak voor we de messroom ingingen ingefluisterd wat ik had gezien en ongemerkt ging hij daarop nog even snel naar het toilet. Ik kreeg die dag als dank een flesje cola te drinken en hij was in ieder geval gered en gevrijwaard van het nodige hoongelach van stuurman en matrozen.
In een tijd dat er nog geen mobiel telefoonverkeer en vhf-radioverkeer was, werden boodschappen vanuit zee aan de kust met vlaggen weergegeven. Zo werd voor het aanlopen van een vreemde haven de loodsvlag gehesen om het walstation te laten weten dat men een loods nodig had om de haven binnen te lopen. Voor die communicatie was een heel arsenaal aan vlaggen aanwezig.

Ik ben altijd trouw gebleven aan het protocol van het vlaggen. Bij feestdagen hing mijn vlag dan wel niet bij zonsopkomst aan de vlaggenstok, maar toch zeker vanaf het moment dat ik uit bed was en voor zonsondergang werd hij weer gestreken.
Bij dodenherdenking ging de vlag om 18.00 uur halfstok tot zonsondergang. Terwijl ik het oorspronkelijk heb geleerd dat een gehesen vlag die halfstok wordt gehangen eerst volledig tot de top dient worden opgetrokken en daarna te worden gezakt tot halfstok. Bij het strijken van de vlag voor zonsondergang hoort hij eerst tot de top te worden gehesen alvorens hem neer te halen.
Het vlaggen in Nederland is echter al heel lang niet meer wat het hoort te zijn, helaas. Bij geboortes hangt de vlag soms weken als een vuile zakdoek aan de gevels dat het eerder een boodschap van treurnis lijkt dan dat er sprake is van een blijde gebeurtenis.
Op 4 mei hangt men de vlag vaak al ’s morgens vroeg halfstok en het gebeurt ook vaak dat hij dan de nacht halfstok overhangt tot bevrijdingsdag. Het getuigt van weinig respect waar de dodenherdenking voor staat. Het is eerder een soort van lamlendigheid om er toch maar een beetje bij te willen horen, maar heeft niets meer te maken me de juiste betekenis en waarde van het vlaggen en daarom hang ik mijn vlag, vier generaties oud, maar niet meer op. Daarvoor betekent hij mij als republikein toch net iets te veel.