Een aantal jaren geleden publiceerde ik, via ‘printing on demand’, het boek “Aartsrivalen” over mijn onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan Kloosterboer en Fred Groot. Op een bepaald moment gingen de papierprijzen omhoog en kwam het erop neer dat ik geld toe moest geven op de boekverkoop via BOL.com. Daarop besloot ik het boek uit de handel te nemen. Echter via oudere artikelen op mijn site over het onderwerp bleef er vraag naar bestaan en daarom heb ik besloten het boek eens in de twee weken, in delen, hier op schaduwrijklangedijk te publiceren.
De voorzitter van de Stichting Langedijker Verleden, Hans de Graaf, is overigens de mening toegedaan dat de navolgende publicaties niets te maken hebben met het historische verleden van Langedijk, maar vallen onder de geschiedenis van Sint Pancras. Het is maar dat u weet hoe de genoemde stichting met het verleden van de eigen gemeente omgaat.

Einde eerste wereldoorlog
Op 11 november 1918 kwam het uiteindelijk tot een wapenstilstand en kon de demobilisatie op 14 november 1918 beginnen. Voor de onder de wapenen geroepen militairen kwam er een einde aan vier jaar verveling en ergernis. Er was op het eind van de Eerste Wereldoorlog een tekort aan graan om brood te bakken, omdat de invoer vanuit Amerika sinds de Eerste Wereldoorlog volledig stagneerde en na de oorlog maar moeizaam opgang kwam.
Van overheidswege werden de bakkers in Nederland op rantsoen gezet en kregen zij toestemming om hun meel tot 30% aan te vullen met aardappelmeel van gekookte aardappelen. Veel andere voedingsmiddelen waren tot ver in de jaren twintig op de bon verkrijgbaar en in de grote steden waren gaarkeukens en werden maaltijden op de bon geleverd. Bijna al het voedsel was in die tijd op de bon, net als steenkool en petroleum. In de regionale kranten viel te lezen wat men op welk moment op de bonnen kon krijgen.
Kranten Regionaal Archief Alkmaar,
Alkmaarse Courant, 16 mei 1918, pag. 2:

Het aardappeloproer van 1917 was niet het laatste onrustige moment in Nederland. Ook in 1918 vonden er opstootjes plaats, zoals in de Alkmaarse Courant van 16 mei 1918 valt te lezen (bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar):

Inmiddels had de in Europa uitgebroken Spaanse griep in augustus 1918 ook Nederland bereikt. Kranten Regionaal Archief Alkmaar, Alkmaarse Courant, 1 augustus 1918:
“SPAANSCHE ZIEKTE
Behalve bij militairen komen er thans ook bij burgers te Woerden lijders aan Spaansche ziekte voor. Er was reeds één geval met doodelijken afloop. Te Groningen breidt de ziekte zich onder de burgerij, zoowel als onder de militairen, uit. De huisartsen kunnen de patienten, bij gebrek aan auto’s of rijtuigen, bijna niet bezoeken. In tal van gezinnen liggen allen te bed. Enkele komt er longontsteking bij. De Spaansche ziekte heeft te Den Haag een zeer groot aantal slachtoffers onder het personeel van het post- en telegraafkantoor. Ruimhonderd bestellers zijn door de ziekte aangetast en van het personeel van het telegraafkantoor eveneens ongeveer honderd personen. De dienst moet nu worden verricht door voor een groot deel ongeschoold personeel.”
Op 6 februari 1919 haalt de jonge tuinder Jan Kloosterboer uit Sint Pancras voor de eerste keer de voorpagina van de Schager Courant (bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar):
“Jan Kloosterboer, een nog jeugdige tuinbouwer te Sint Pancras, had ook verbaal en vonnis “aangekregen” wegens overtreding bij teelt van sluitkool, uien, wortelen, enz., die hij zonder benoodigde vergunning had bewerkstelligd. Zijn vonnis was ƒ 400 boete of 80 dagen hechtenis. Beklaagde zei voor de cultuurcommissie te zijn verschenen, die uitmaakte dat hij, beklaagde, de bedoelde vergunning niet noodig had, omdat beklaagde zuiver tuinbouwer is en als zoodanig niet viel onder de beperkende bepalingen van de toen geldende teeltregeling. De Praesus wees er Kloosterboer op, dat deze als ’t ware slechts druppelsgewijze heeft bekend en beklaagde erkende daarop, wel een beetje in botsing te zijn gekomen met den controleur Bierman, die had verklaard, beklaagde’s vrouw zoo bang te hebben gemaakt, met deze zaak. Ten slotte wordt het onderzoek in deze zaak aangehouden tot 18 februari om Burgemeester Kroonenburg van St. Pancras en Joris Bierman, controleur der cultuurcommissie nog te horen als getuige.”
Twee weken later is het vervolg van de zitting en is burgemeester Jacob Kroonenburg ter zitting aanwezig. Het verslag is te lezen in de Schager Courant van 19 februari 1919 op pagina 5 (bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar):
“De teeltregeling”
Dirk Hoogvorst uit Heerhugowaard, een landbouwer die zich aan overtreding van de teeltregeling had schuldig gemaakt, was absent. Na verhoor van een tweetal getuigen wordt door den heer Officier geëischt ƒ 500 of 60 dagen hechtenis. Daarna was Jan Kloosterboer, landbouwer te Sint Pancras aan de beurt, ook wegens overtreding der teeltregeling. Maar Jan was wel present en roerde zijn mondje geducht. Hij bepleitte met veel vuur zijn standpunt, dat hij voor zuiver tuinbouwer zou kunnen doorgaan. De controleur J. Bierman van Oudendijk, in functie bij het Productiekantoor voor Noordholland, had op de akkers de overtreding geconstateerd en gaf de resultaten van deze bemoeiïngen weer.
Burgemeester Kroonenburg van Sint Pancras had de beklaagde als zuiver tuinbouwer beschouwd en hem gezegd, dat hij geen vergunningsbewijs noodig had.
Waarop grondde u dat? Vroeg de Praesus.
Burgemeester gaf aan, dat in de jaren ’15, ’16 en ’17 alleen tuinbouwgewassen waren geteeld op de gronden waarover het hier gaat. Dat was de opvatting van de landbouwcommissie, die op grond van die opvatting aan Burgemeester heeft geadviseerd dat Jan Kloosterboer is zuiver tuinbouwer.
De Praesus voert hiertegen aan, dat als de voorganger van beklaagde, degene die vóór hem het bedoelde land gebruikte, in 1915, ’16 en ’17 wel andere, dan tuinbouwgewassen op de gronden heeft geteeld, de beklaagde dan ook niet kan worden beschouwd als zuiver tuinbouwer. De Burgemeester is hier eigenlijk zijne bevoegdheid te buiten gegaan en het is gevaarlijk voor een Burgemeester in een geval als dit maar tegen de betrokkene te zeggen, dat hij is zuiver tuinbouwer.
Een Burgemeester heeft niet uit te maken of iemand zuiver tuinbouwer is of niet. Als tot beklaagde’s land hebben behoord stukken land, waarop in 1915, ’16 en ’17 door beklaagde of voorgangers zijn geteeld andere dan tuinbouwgewassen, dan is de beklaagde eenmaal geen zuiver tuinbouwer. Burgemeester denkt, dat het ‘m hierin zit, dat de vader van beklaagde vroeger een akker rogge heeft verbouwd. Men teelt ten behoeve der volksvoeding en wordt dan later daardoor nog als landbouwer en niet als zuiver tuinbouwer gequalificeerd. Het is echter eerst later aan spreker om zoo te zeggen in ’t oor gefluisterd van dien roggeverbouw. Officieel is aan Burgemeester niet bekend, dat op het land van beklaagde zijn verbouwd geworden andere dan zuivere tuinbouwgewassen.
De officier neemt aan, dat beklaagde in de war gebracht is door de mededeeling van Burgemeester en wil ook bij de strafmate in aanmerking nemen, dat Burgemeester den beklaagde in den waan heeft gebracht dat hij is zuiver tuinbouwer. De eisch, ten slotte ingesteld, luidde: ƒ 50 of 10 dagen zitten.”
Waarschijnlijk was de handelsgeest van Jan groter en sterker dan zijn tuindersbloed, want in 1919 begon hij met zijn broer Cees (Cornelis) Kloosterboer een groentegroothandel. De beide broers hadden zakelijk de wind mee, want al heel snel groeide hun zaak de ‘Fa. Gebr. Kloosterboer’ uit tot een exportzaak met een omzet van een miljoen gulden per jaar. Er werden in de export behoorlijke winsten gemaakt en dat zal niet ongemerkt aan de gebroeders voorbij zijn gegaan en hun keuze om in die handel te stappen was dan ook niet zo vreemd.
Wordt vervolgd.
