Een aantal jaren geleden publiceerde ik, via ‘printing on demand’, het boek “Aartsrivalen” over mijn onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan Kloosterboer en Fred Groot. Op een bepaald moment gingen de papierprijzen omhoog en kwam het erop neer dat ik geld toe moest geven op de boekverkoop via BOL.com. Daarop besloot ik het boek uit de handel te nemen. Echter via oudere artikelen op mijn site over het onderwerp bleef er vraag naar bestaan en daarom heb ik besloten het boek eens in de twee weken, in delen, hier op schaduwrijklangedijk te publiceren.
De voorzitter van de Stichting Langedijker Verleden, Hans de Graaf, is overigens de mening toegedaan dat de navolgende publicaties niets te maken hebben met het historische verleden van Langedijk, maar vallen onder de geschiedenis van Sint Pancras. Het is maar dat u weet hoe de genoemde stichting met het verleden van de eigen gemeente omgaat.
Kritiek ook lastig voor broer Cees.
Cees Kloosterboer liet zich ook niet onbetuigd als hij als voorzitter van de tuindersvereniging ‘De Tuinbouw’ kritiek kreeg over zijn wijze van leiding geven aan een vergadering. Hij reageert nogal scherp op een ingezonden brief van een inwoner van Sint Pancras. Cees Kloosterboer geeft blijk van een vermoeden wie de ‘Pancrasser’ is en noemt hem ‘J’.
Vermoedelijk betreft het hier de lokale journalist voor de Schager Courant en tevens raadslid Jacob Kloosterboer. Onder het ingezonden stuk staat nog een rectificatie van de secretaris van ‘De Tuinbouw’ waarvan in het krantenverslag staat vermeld dat hij over de burgemeester zou hebben gezegd ‘de burgemeester is overal doof en blind voor’. In een kort ingezonden stuk neemt H. Olie zijn woorden daarover terug:

Cees Kloosterboer echter gaat er in zijn reactie naar ‘Een Pancrasser’ met gestrekt been in. Kranten Regionaal Archief Alkmaar, AC, 4 februari 1931, pag. 3:
INGEZONDEN STUKKEN
“Mijnheer de Redacteur,
Mag ik alstublieft met enkele regels antwoorden op het ingezonden stuk van “een Pancrasser” in Uw geacht blad van Vrijdag 30 januari? Allereerst zou ik gemakshalve “een Pancrasser” met de letter J. willen aanduiden. Vervolgens moet ik J. erop wijzen dat hij het verslag van “de tuinbouw” onjuist weergeeft.
Er staat in het verslag niet dat de VZ. hoog en diep heeft gezocht, maar het oppervlakkig heeft zien gebeuren, dat de overvloedige belastinggelden zijn aangewend om de salarissen en pensioenregelingen voor de ambtenaren enz. op hoog peil te brengen. Dit vindt J. een beetje overdreven. Kan hieruit blijken dat ook J. in die gunsten deelt? Dat wij (volgens J.) zonder ambtenaren niets kunnen doen, kan men gevoeglijk omdraaien; zonder ons hebben ambtenaren niets te doen. Van sociale verzekeringen “hekelen” was geen sprake, ’t staat ook niet in het verslag; maar wel, dat de tuinbouwers, die toch al in zoo’n treurigen financiëelen toestand verkeeren, hiervoor één- en soms tweeledig moeten betalen. Naar den “goeden ouden tijd” wensch ik niet terug, maar wensch een toekomst tegemoet te gaan, die niet enkel voor een groep, maar voor alle menschen houdbaar is, ook voor de tuinbouwers. Al is er in den goeden “ouden tijd” voor den 4-en stand (lees ambtenaren enz.) in het geheel niet gezorgd, bestaat er geen enkel recht om nu in dezen bij uitstek besten “nieuwe tijd” het zoodanig aan te leggen dat er zoovele tuinbouwers in de grootste armoede leven en zelfs ten gronde moeten gaan. En zij die wat lang op deze wereld zijn en de eigenschappen hebben behouden uit “den goeden ouden tijd” om hun vrees en afkeuring te uiten, over het onevenredige in het maatschappleijk leven gebracht … gerust J., laat de menschen die al zoolang op deze wereld zijn, nog maar een poos(je) leven.
Ook het ongepaste betoog van de heer Olie wordt de VZ. aangewreven. Aan J. enkel deze vraag: Is U, terwijl U als VZ een vergadering leidde, (pardon, ik schrijf net of ik uw schuilnaam ken) nooit iets dergelijks gepasseerd doordat men U te vlug af was? Omtrent de gem. verordeningen dit: De besprekingen waren niet in de lijn om er meerdere te wenschen, maar om de bestaande in toepassing te brengen. De m.i. gezochte opmerking betreffende de opvoeding van “de tuinbouw”-leden kan ik gevoeglijk achterwege laten. Tenzij dat J. zich als paedagoog zou willen aanmelden. Wij houden ons aanbevolen. U mijnheer de redacteur vriendelijk dankend voor de opname.
Hoogachtend,
C. Kloosterboer.”
Door de tegenvallende opbrengsten van de aardappelen en groenten overwegen veel tuinbouwers om over te stappen op de bloembollenteelt. De laatstgehouden bloembollenveiling in Broek op Langedijk van september 1928 geeft echter geen directe reden om op bloembollen over te stappen, want door de grote aanvoer was de handel stug en de prijzen daardoor laag.
Voor tuinders die toch de overstap zouden willen maken was dat eigenlijk wel goed, om voor een lage prijs plantgoed te kunnen aanschaffen. Verslagen in de kranten van die tijd laten zien dat veel tuinders zich genoodzaakt zien om te kijken naar andere middelen van bestaan. Veel van de tuinders proberen werk te vinden bij de cultivering van de in 1928 drooggevallen Wieringermeer. De verwachtingen voor de prijzen van de aanstaande winterkool zijn in september en oktober ook niet erg hoog. Uit gegevens over de koolteelt in het buitenland blijkt dat die de komende winter vrij overvloedig zal zijn en daardoor zal de export ook achterblijven.

Als het eind 1932 nog steeds slecht gaat met de groente-export besluiten Jan en Cees Kloosterboer om hun handel uit te breiden en laten zij zich bij de Kamer van Koophandel te Alkmaar inschrijven als ‘commissionnaires in effecten’. Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, Wieringer Courant, 13 december 1932, pag. 3:

Uit een verhoor van Jan Kloosterboer op 10 september 1947 valt op te maken dat de gebroeders Kloosterboer dit bedrijf hebben omgezet in een commanditaire vennootschap ‘Kloosterboer en Co.’ Uit de verschillende verklaringen van Jan Kloosterboer in zijn strafdossier van na de Tweede Wereldoorlog blijkt dat hij de man was die de buitenlandse contacten onderhield en daarvoor ook zakenreizen maakte naar Duitsland en Engeland. Zo verklaart hij:
“Zowel met de landen in Europa als daarbuiten stonden wij in handelsrelatie. Tot dit doel heb ik diverse zakenreizen gemaakt o.a. naar Engeland en Duitsland. In Duitsland constateerde ik door eigen aanschouwen de veranderingen die aldaar plaats vonden onder het in 1933 aan de macht gekomen Nationaal Socialisme. Ik stond als anti-revolutionair uiterst afwijzend tegenover de nationaalsocialisten.” (Bron: Nationaal Archief)
De Fa. Gebr. Kloosterboer was het in de loop van 1933 niet eens met de wijze waarop de Nederlandse regering besluiten nam over de export van pootaardappelen. Er gingen in die jaren geluiden op om de uitvoer van pootaardappelen aan banden te leggen, omdat er angst bestond dat de importerende landen op een bepaald moment in eigen behoeften zou kunnen gaan voorzien en dat Nederland daardoor een deel van haar markt op de export van consumptie-aardappelen zou kwijtraken. De Fa. Gebr. Kloosterboer hebben hun exportmogelijkheden in die jaren ook al uitgebreid naar landen in Zuid-Amerika en de broer van Jan en Cees Kloosterboer, Willem, emigreert in die tijd ook naar Argentinië. Om daar niet alleen een importbedrijf te beginnen, maar zich ook gaat toeleggen op veeteelt. De Fa. Gebr. Kloosterboer schromen niet om de minister, middels een open brief in de krant, te laten weten hoe zij over de kwestie van de export van pootaardappelen denken. Kranten Regionaal Archief Alkmaar, SC, 10 oktober 1933, pag. 3:
“Geef ons den vrijen handel terug”
Verzoek van een export-firma in pootaardappelen aan den minister. Een exportfirma in pootaardappelen te St. Pancras heeft zich met het volgende verzoekschrift tot den minister van Economische Zaken gericht:
Excellentie,
Onder de vele nieuwe Regeeringsmaatregelen van den laatsten tijd is ook die, van de minimum-verkoopprijzen voor pootaardappelen. Daar deze regeling een groot fiasco is, gevoelen wij ons geroepen in het belang van den export in dit artikel, U het volgende onder het oog te brengen.
Op een vergadering van de Neederlandsche Vereeniging van Pootaardappel-Exporteurs, welke Maandag 2 October in Rotterdam gehouden is, hebben de leiders van deze organisatie welke U met de uitvoering van Uw besluiten belast hebt, elkaar publiek beschuldigd van het doen van immoreele handelingen bij inkoop-, verkoop-, reclame enz. Hierbij is ook aan het licht gekomen dat een kleine groep van exporteurs het klaar gespeeld heeft, om, onder het voorwendsel van “betere prijzen voor de boeren”, Uwe Excellentie over te halen tot het nemen van maatregelen welke wij nu hebben.
Daar de minimumprijzen veel te hoog zijn, kunnen de boeren hun pootaardappelen niet verkoopen, maar stelt U handelaren, welke groote contracten hebben in de gelegenheid, hun voorraden te spuien. Bovendien bestaat er gevaar dat de markten, welke met veel moeite voor de Nederlandsche pootaardappelen gewonnen zijn, weer verloren gaan. Met name denken wij hier aan Italië, dat goedkooper in Duitschland kan koopen en Brazilië, dat nu in Argentinië koopt. Als U de exporteur voorschrijft op een wagonaardappelen van ƒ250,-, ƒ65,- netto te verdienen, zal deze hiervoor alleen dàn erkentelijk zijn, als voor hem ook de mogelijkheid bestaat te verkoopen.
Echter de tijd dat groote winsten gemaakt worden, is voorbij, en een exporteur welke deze al of niet met steun van de Regeering wil handhaven, wordt van de markt verdrongen. Bovendien wordt door het stilleggen van den export, ook schade gedaan aan vervoerondernemingen als Spoorwegen, Scheepvaart-Maatschappijen, enz. Ook de werkgelegenheid wordt belangrijk kleiner, b.v. voor emballagefabrieken, transportarbeiders, enz.
Wij verzoeken Uwe Excellentie, ons den vrijen handel terug te geven en zoo dit onmogelijk is, toch in ieder geval een einde te maken aan de bestaande wantoestanden.
Hetwelk doende, enz.
GEBR. KLOOSTERBOER Export van pootaardappelen,
Sint Pancras.
De gebroeders Kloosterboer maken naar de minister toe wel hun punt, want door de crisis is het land in een brede economische neerwaartse spiraal gekomen. Het zijn ook niet alleen de exporteurs, en de vervoerders die dit voelen. Ook in de nieuwjaarsboodschappen van de voorzitter van de Kamer van Koophandel in die jaren klinkt het sombere geluid van de crisis door. De lokale redacteur van de Schager Courant in Langedijk schetst in een eindejaars verslag hoe de crisis in zich aldaar voltrok. Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, Schager Courant,30 december 1933, pag. 10:
LANGENDIJK IN 1933
Het jaar 1933 zal bij de Langedijkers met een zwarte kool aan den balk worden aangeteekend. Nadat reeds drie jaren van crisis deze vroeger zoo nijvere streek hadden geteisterd, zette het jaar 1933 in. Slechter jaar is er nog niet geweest. De verschillende tuinbouwproducten, die in normale tijden tegen goed geld werden verkocht, resultaat van harden arbeid en toegepaste wetenschap, aangevuld met de lessen der ondervinding, waren nu voor het grootste deel onverkoopbaar. Bij de groote groentenveilingen te Broek op Langedijk en Noordscharwoude waren honderden spoorwagens van die kostelijke tuinbouwproducten op mestvaalten gegooid, de verrotting ten prijs.
Waar anders zoo’n opgewekt handelsleven heerschte, waar de krachtige polsslag werd gevoeld van het elkander aanvullende leven van handel en tuinbouw, daar was nu doodschheid en stilte. De spoorwagons op de beide ladingsplaatsen te Broek op Langedijk en Noordscharwoude, die met tientallen waren bestemd om, volgeladen met Langedijker kool, wortelen en uien, naar het buitenland te worden geëxporteerd, konden er doelloos blijven staan. Op de kantoren der vele kooplieden en exporteurs, waar de telefoon anders niet stilstond en waar de bestellingen bij tientallen met de post binnenkwamen, heerschte gedwongen rust. Een groot deel van het personeel werd afgeschaft en vergrootte het leger der tallooze werkloozen.
De transportarbeiders, die in normale tijden een goed loon verdienden, afhankelijk als het was van het aantal geladen spoorwagons, zagen hun loonen verminderen tot een bedrag, waarbij armoe moet worden geleden. Van ƒ 30 en soms nog meer per week, daalde het loonbedrag tot ƒ 8. De ernstige toestand toonde zich wel ’t meest sprekend i.d. omzet aan de veilingen. In goede jaren hadden beide veilingen een omzet van ruim 9 millioen in totaal, doch in 1933 zal de 3 millioen wel niet worden gehaald.
Deze sterke achteruitgang is oorzaak, dat door de tuinbouwvereenigingen het laatste jaar een buitengewoon sterke actie is ontketend, om verbetering in hun toestand te bepleiten. Ondanks deze actie is de regeering er niet toe overgegaan, meer steun te verleenen, zoodat tal van tuinders om zich staande te kunnen houden, in de baggerregeling zijn opgenomen geworden. Velen moesten worden gesteund door Crisiscomité of Armbestuur, terwijl een klein aantal het niet langer kon bolwerken en het bedrijf moest staken. De landprijzen daalden hier tot ongekende laagte en bij publieke verkoopingen waren het meest speculanten die tot aankoop van land overgingen. Nieuwbouw had zoo goed als niet plaats, zoodat de ambachtslui geen werk hadden en het personeel dus ontslag moest worden gegeven.
De gemeenten raakten ook gedeeltelijk met den toestand verlegen: subsidies voor zeer nuttige instellingen moesten geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, de belastingen moesten tot het ondraaglijke worden verhoogd, loonen en salarissen moesten worden verlaagd, kortom er ontstond in 1933 een toestand, die de gemeenten op de rand der noodlijdendheid bracht.
Thans, nu 1933 zijn einde nadert, zijn er teekenen, die er op wijzen, dat de mogelijkheid van verbetering wordt gezien. De prijzen van de verschillende stapelproducten zijn veel minder slecht dan ze zijn geweest, het nieuw afgesloten Duitsch Nederlandsche handelsverdrag opent perspectieven die een opleving voor Langendijk in zich sluiten, zoodat met spanning wordt uitgezien naar het werkelijke resultaat van dit verdrag.
Moge het in zich sluiten de belofte voor een beteren toestand in 1934!