Aartsrivalen 12.

Een aantal jaren geleden publiceerde ik, via ‘printing on demand’, het boek “Aartsrivalen” over mijn onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan Kloosterboer en Fred Groot. Op een bepaald moment gingen de papierprijzen omhoog en kwam het erop neer dat ik geld toe moest geven op de boekverkoop via BOL.com. Daarop besloot ik het boek uit de handel te nemen. Echter via oudere artikelen op mijn site over het onderwerp bleef er vraag naar bestaan en daarom heb ik besloten het boek eens in de twee weken, in delen, hier op schaduwrijklangedijk te publiceren.

De voorzitter van de Stichting Langedijker Verleden, Hans de Graaf, is overigens de mening toegedaan dat de navolgende publicaties niets te maken hebben met het historische verleden van Langedijk, maar vallen onder de geschiedenis van Sint Pancras. Het is maar dat u weet hoe de genoemde stichting met het verleden van de eigen gemeente omgaat.

Fred P. Groot

In 1936 neemt de Fa. Gebr. Kloosterboer afscheid van hun personeelslid Fred P. Groot.

Fred Groot was op 16 februari 1927 getrouwd met Anna Margaretha Hagenaar. Hij was op dat moment kantoorbediende, maar of hij op het moment van trouwen al in dienst was bij de Fa. Gebr. Kloosterboer is niet duidelijk terug te halen. Wel is bekend dat het echtpaar Groot-Hagenaar in 1936 in een huis van de Fa. Gebr. Kloosterboer woonde en dat er sprake was van een achterstand in het betalen van de huur van de woning.

In ieder geval moet de relatie tussen Fred Groot en zijn werkgevers in die periode op een dieptepunt zijn geweest. Of dit had te maken met de staat van de woning of dat er sprake was van botsende karakters valt niet meer te achterhalen. Dat de woningen van de Kloosterboeren niet van al te beste kwaliteit waren blijkt wel getuige een verslag van een raadsvergadering van drie jaar later. Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, Alkmaarse Courant, 9 december 1939, pag. 9:

Na zijn ontslag bij de Fa. Gebr. Kloosterboer, wegens het stelen van postzegels, verhuist Fred Groot van Sint Pancras naar Schagen waar hij zijn nieuwe huisbaas met vervalste kwitanties probeert duidelijk te maken dat hij zijn huurpenningen aan de Gebr. Kloosterboer altijd trouw heeft betaald. Het duurt echter niet lang of de huisbaas komt erachter dat hij moet hebben geknoeid met de kwitanties. Er wordt aangifte gedaan en op 19 april 1937 komt het voor de Politierechter in Alkmaar. Hij wordt beschuldigd van “valsheid in geschrifte meermaals

gepleegd”. In het verslag over deze zaak in de Schager Courant van 21 april 1937

(bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar) staat het volgende:

“WAT GESCHREVEN IS, BLIJFT GESCHREVEN, ZEIDE PILATUS”

De heer G. te Schagen, had zich aldaar van een woning willen voorzien en toen als blijk van soliditeit als huurder, een paar kwitanties getoond van zijn toenmalige huisbaas. Het bleek echter, dat de candidaat deze kwitanties zelf had gefabriceerd en waar de verhouding tusschen huurder en huisbaas niet al te vriendelijk was, bereikte dit zaakje de rechtszaal.

De verdachte trachtte door een droevig beeld te geven van zijn tegenspoeden en werd tenslotte voor zijn onvoorzichtigheid, om het woord stommiteit maar niet te gebruiken, veroordeeld tot ƒ 25,- boete subs. 15 dagen hechtenis.

In de loop der jaren hadden de gebroeders Kloosterboer ook behoorlijk geïnvesteerd in onroerend goed en met name Cees was op dat gebied vrij actief. Met enige regelmaat wordt daarover in de kranten melding gemaakt Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, SC, 26 februari 1937, pag. 5:

In 1937 besluiten de gebroeders Kloosterboer hun lidmaatschap op te zeggen van de koopliedenvereniging ‘Koophandel’. Blijkbaar kwam dat door de tegenwerking die zij ervoeren, maar helaas is daarover in de publicaties niets van terug te vinden. Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, AC, 20 april 1937:

Vergadering “Koophandel” “Meegedeeld werd o.m. dat de fa. Gebr. Kloosterboer te St. Pancras heeft bedankt als lid.”

De Schager Courant geeft iets meer informatie over de opzegging van hun lidmaatschap van ‘Koophandel’. Kranten Regionaal Archief Alkmaar, Schager Courant, 20 april 1937:

In de vergadering van de Vereeniging van Groothandelaren in Groenten en Aardappelen “De Koophandel” te Broek op Langedijk wordt medegedeeld dat de Fa. Kloosterboer als lid heeft bedankt, na een conflict over de verdeeling van arbeid aan het spoor. De lusten worden nu door de fa. geplukt en de lasten niet gedragen. Hoewel het verlies van een dergelijk lid, omdat het bestuur niet naar zijn pijpen danst, niet zo ernstig is.

De jaarredes van de voorzitter van de Kamer van Koophandel in de jaren dertig geven over het algemeen een aardig beeld van de situatie waarin ons land en met name de regio Alkmaar verkeerd. De voorzitter van de Kamer van Koophandel is in zijn jaarrede over 1937 niet erg vrolijk als het gaat over de afzet van ‘grove’ tuinbouwproducten. Was de handel in rode-, witte- en gele kool in de winter van 1935/1936 slecht. De oogst van 1936 kon helemaal niet worden afgezet, doordat de landen, die doorgaans de beste afnemers waren, zelf recordoogsten hadden behaald. Verder werd de export nog nadelig beïnvloed door de hoogte van invoerrechten en andere handelsbelemmeringen. De handel in vroege aardappelen bleef voornamelijk beperkt tot Duitsland al was ook die handel stroef te noemen. De door de regering opgelegde minimumprijzen had weinig effect. Het was wel duidelijk dat de consument zich geen prijzen liet opleggen en daarom draaiden de aardappelen al vroeg door.

In de tweede helft van juni waren de zogenaamde ‘onverkoopbare hoeveelheden’ onrustbarend groot. Toen de aardappelen ‘rijper’ werden en geschikt waren om over zee vervoerd te worden, heeft Zuid-Amerika grote hoeveelheden afgenomen. De prijzen hiervoor waren niet om over naar huis te schrijven. De techniek op de schepen was in die tijd nog niet zodanig dat ook vroege aardappelen verscheept konden worden. Om vroege aardappelen te verschepen is veel ventilatie in de ruimen noodzakelijk en die techniek was in de jaren dertig te beperkt.

De gevreesde aardappelziekte had ook een nadelige invloed op de handel en ook de regeringsbemoeiingen zorgden ervoor dat de handel steeds meer aan banden werd gelegd.

Van kantoorbediende tot journalist

De ontslagen werknemer van de Fa. Gebr. Kloosterboer, Fred Groot, blijkt een baan te hebben gevonden bij de Schager Courant en lijkt vanuit die standplaats zijn gram te halen op de periode dat hij in Sint Pancras werkte. Het onderstaande artikel lijkt een aardige oefening van hem in hoe hij vanaf februari 1940 zal uithalen richting Jan Kloosterboer. De keuze van de koppen en de schrijfstijl zijn kenmerkend en ook het redactionele nawoord op de ingezonden brief kunnen niet anders dan uit de koker van Fred Groot zijn. Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, Schager Courant, 25 februari 1938, pag. 5:

ZONDERLINGE TOESTANDEN IN ST. PANCRAS

Storm in een glas water!

Het aardige dorp Sint Pancras is een ècht dorp, met een èchten burgemeester, twee èchte wethouders, vijf èchte raadsleden, een èchten veldwachter en een echte secretarie-ambtenaar. Er zijn ook èchte arme menschen, dus is er ook een ècht armbestuur, waar ècht rechtvaardige menschen ècht koperen centen ècht uitdeelen. De Raad van Sint Pancras is een leuke raad. Vroeger scholden de leden elkaar minstens om de twee zittingen driemaal uit, maar de laatste jaren is de vreedzaamheid over de schare gekomen. Echter, af en toe wordt de strijdbijl tusschen de verschillende stammen weer opgegraven en wordt er weer gevochten als in de roemruchte dagen van weleer …

Sint Pancras beschikt over machtige mannen, naar hun eigen oordeel, geknipt voor de baantjes, die tot nut van het algemeen en eer en genoegen van zichzelven plegen te worden opgeknapt. Een van dezen is een meneer Jacob Kloosterboer, een der tak-opperhoofden van de machtige stam der Kloosterboeren, die behalve de nuttige functie van dagbladcorrespondent de nog nuttiger functies van gemeenteraadslid en lid van het armbestuur uitoefent.

Deze meneer Kloosterboer, voorheen alléén-zaligmakend krantenmagnaat in zijn woonstee, heeft er een concurrent bijgekregen, den secretarie-ambtenaar, een niet zoo machtig, maar ambitieus en vlot jongmensch. Die is correspondent van een ander blad, en dat zint meneer Kloosterboer niet, en dat zint zijn vriend van Kampen, de gevallen wethouder, thans raadslid, óók niet, want die hééft iets tegen die krant, waarvan meneer Molenaar, de secretarieambtenaar correspondent is. Het zint meneer Van Kampen en meneer Kloosterboer óók niet, dat burgemeester Kroonenburg de weloverwogen adviezen van dit in het vak van de moderne gemeentebestuurderij opgeleide jongmensch vaak een gewillig oor leent en krachtig meewerkt om aan verjaarde, onpractische onlogische en … gevaarlijke gebruiken een einde te maken. En daarom zetten zij hem den voet dwars, waar zij kunnen …

Dit is het voorspel, nu komt het eerste bedrijf van het drama zelf. Het uitbetalen van “armengelden” gaat in deze gezegende gemeente héél knus. Men gaat naar “Jaap” (Kloosterboer), houdt zijn hand op, ontvangt naar behoefte en vertrekt zonder kwijting voor het ontvangen bedrag te geven. “Jaap” schrijft het op een kladje en thuis in zijn boeken. De andere armvoogden doen het, als zij aan de beurt zijn om als “administreerend” armvoogd op te treden, precies zoo. Dat zal allemaal wel eerlijk en goed gaan, en als mijnheer Muurling, een andere armvoogd, eens wat raar in zijn boek krabbelt, een cijfertje verbetert en verandert, dan is er direct geen reden aan te nemen dat iets anders dan mindere vaardigheid in ’t boekhouden daar de oorzaak van is.

Burgemeester Kroonenburg, wellicht een wenk van hoogerhand gekregen hebbende of op den duur een herhaling vreezende van een veel besproken dergelijke kwestie met een kerkelijke even “gemoedelijke” administratie, wilde dat anders. Hij bedacht een grandiose oplossing, waarbij de armvoogden dè weldoeners bleven en de verantwoording der uitgegeven penningen zou geschieden zoo het behoort. Meneer Molenaar, de ambtenaar, moest zooiets als klerk worden voor de heeren van het Armbestuur en dezen met zijn parate kennis der moderne administratie terzijde staan. Maar meneer Kloosterboer heeft een schrijfmachine, dus óók verstand van boeken en zijn vader deed het ook al jaren zoo.

Zich door een “snotjongen” – zoo heeft meneer Kloosterboer den ambtenaar al eens genoemd – op zij laten duwen? Dàt nooit! En dus, toen gisteren in de raadsvergadering B. en W. voorstelden aan het Armbestuur een “administrateur” toe te voegen, werd meneer Kloosterboer bepaald wit-heet en vertelde met gróóte woorden, dat hij de boeken nooit overgaf. Dankzij de schrijfmachine kreeg de pers het op een briefje, inderdaad keurig, vet waar het moest en onderstreept waar het hóórt. Meneer van Kampen, de vriend, sprak roerende woorden over het vertrouwen dat de armvoogden bezitten. Waarom kwitanties en een “mooie” administratie? Ook met kwitanties kan geld zoekraken! Meneer Kloosterboer geeft, als hij volgend jaar weer administreerend armvoogd zal zijn de boeken niet over. Voor dien tijd zijn er echter verkiezingen. Zou meneer Kloosterboer wel eens eraan gedacht hebben, dat ook de kans bestaat, dat hij niet herkozen wordt, géén lid van het armbestuur kan worden, en zijn boeken er dus niet aan te pas behoeven te komen? Storm in een glas water; maar er rijzen toch enkele vragen …

1. Waarom doet de heer Kloosterboer, die toch een gezellige en lang niet achterlijke baas is, zoo oerdom, en waarom laat meneer van Kampen zijn vriend zoo allerakeligst modderen?…

2. Waarom ziet de heer Kloosterboer niet in, dat betaling zonder kwitanties, boekhouding op kladjes er de zaak veel ingewikkelder maakt en aanleiding kan geven tot verdenking?

3. Waarom moet hier de nering zoo nijdig zijn en waarom ziet meneer Kloosterboer niet in, dat tegenover gewone werkloozen, die voor ieder kwartje bijna drie kwitanties tekenen en zes controleurs over de vloer krijgen, ook voor armlastigen éénige formaliteit nodig is?

4. Wanneer zal men in St. Pancras eindelijk eens ophouden zich belachelijk te maken?

Een reactie van Jacob Kloosterboer bleef niet lang uit. Bron: Kranten Regionaal Archief Alkmaar, SC, 3 maart 1938, pag. 5:

INGEZONDEN

Zonderlinge toestanden in Sint Pancras

Mijnheer de redacteur mag ik u verzoeken om een plaatsje in uw blad, bij voorbaat mijn dank. Even zou ik een klein misverstandje willen weerleggen. De samensteller van het geschreven in uw blad van 25 februari naar ik vermoed is de samensteller een oud St. Pancrasser, is niet meer precies op de hoogte van de toestanden hier ter plaatse. Als het tenminste niet bedoeld was om mij te treffen, zal de samensteller wellicht andere gedachten krijgen; het eerste gedeelte laat ik aan de gedachte van de lezers over, die venijn wil zoeken kan het altijd vinden. Over het knusse gedeelte zou ik hierop willen wijzen, de uitbetaling van het Armbestuur geschiedt niet meer bij Jaap aan huis, doch op het raadhuis in bijzijn van het geheele college, en de Burgemeester.

Het knusse is dus ver te zoeken zou ik zoo meenen. Over het teekenen der armen hadt gij u beter moeten laten voorlichten, niet de door u genoemde roemruchte Kloosterboer heeft gesproken over niet teekenen doch de heer van Kampen, ondergeteekende was en is nog voor teekenen, daarom geachte samensteller, laat u beter voorlichten, of indien u bedoelt mij te treffen kom dan niet met onwaarheden, maar met zuivere critiek. Met dank voor de plaatsing, Jb. Kloosterboer, Raadslid,

Armvoogd enz, enz. Sint Pancras, 1 maart 1938.

Naschrift van de redactie. (In onze definitie “gezellig en lang niet achterlijk” ligt opgesloten dat wij den heer Kloosterboer niet in zijn persoon wilden treffen. Hij is ons goed genoeg. Het is geen venijn zuigen, als wij beweren dat de firma Kloosterboer- van Kampen de benoeming van de heer Molenaar tot correspondent van de Schager Courant met leede oogen beschouwt. Het is een feit, dat overigens genoegzaam bekend is, en zuiver persoonlijk zakelijke redenen tot ondergrond heeft. De argumenten die de heeren als vertegenwoordigers van het algemeen belang ter tafel brengen, zijn snertargumenten. “Roemrucht” hebben wij de heer Kloosterboer nergens genoemd, een “takopperhoofd van de stam der Kloosterboeren” is hij, en machtig in St. Pancras is die stam ook. Wie weet dit niet? Overigens gelooven wij, dat iemand die teekent, “raadslid, armvoogd enz, enz” zich met grond “roemrucht” mag noemen. In ons artikel staat “bij Jaap” en niet bij “Jaap aan huis”. Er staat “Jaap schrijft op een kladje en thuis in het boek. Kunnen alle bijzitters zich een half jaar later nog herinneren, wat “Jaap” (of een ander) op het raadhuis op zijn kladje en thuis in zijn boek schrijft? Zullen zij dan nog verschillen kunnen constateeren? Wij hebben nergens kunnen ontdekken, dat de heer Kloosterboer vóór teekenen was, is het zoo, dan is zijn houding nog onbegrijpelijker. Overigens wij maken tusschen van Kampen en Kloosterboer geen onderscheid, niemand doet dat. Wij begrijpen dat een soort gekwetste ijdelheid den heer Kloosterboer weerhoudt den “snotjongen” Molenaar in zaken te mengen, die steeds uitsluitend de zijne waren, maar de heer Kloosterboer moest toch begrijpen dat zijn houding aanleiding tot verdenking kan geven. Dit is voor St. Pancras niet goed en voor hem niet goed. Ook al zijn wij de laatsten die den heer Kloosterboer van eenige onregelmatigheid zouden verdenken,wij kunnen het niet anders zien)

Wordt vervolgd.

Geef een reactie