Aartsrivalen 16.

Een aantal jaren geleden publiceerde ik, via ‘printing on demand’, het boek “Aartsrivalen” over mijn onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan Kloosterboer en Fred Groot. Op een bepaald moment gingen de papierprijzen omhoog en kwam het erop neer dat ik geld toe moest geven op de boekverkoop via BOL.com. Daarop besloot ik het boek uit de handel te nemen. Echter via oudere artikelen op mijn site over het onderwerp bleef er vraag naar bestaan en daarom heb ik besloten het boek eens in de twee weken, in delen, hier op schaduwrijklangedijk te publiceren.

De voorzitter van de Stichting Langedijker Verleden, Hans de Graaf, is overigens de mening toegedaan dat de navolgende publicaties niets te maken hebben met het historische verleden van Langedijk, maar vallen onder de geschiedenis van Sint Pancras. Het is maar dat u weet hoe de genoemde stichting met het verleden van de eigen gemeente omgaat.

De bloembollenkwestie!

Eind oktober 1939 vergaat na torpedering het Franse stoomschip Arijon in de Golf van Biscaye en dit schip heeft een partij gladiolenbollen aan boord van de Fa. Gebr. Kloosterboer die verzonden waren naar hun firma in Buenos Aires.

Deze bloembollen waren behoorlijk oververzekerd, zoals Jan Kloosterboer in 1947 verklaard:

“Inderdaad hebben wij eind oktober 1939 met het Fransche s.s. Arijon een partij gladiolen verzonden naar onze firma in Buenos Aires en is het schip in de Golf van Biscaye getorpedeerd. De factuurwaarde van deze bollen bedroeg naar ik meen mij te herinneren ƒ 50.000,- terwijl volgens usance de verzekeringswaarde werd afgesloten voor een bedrag van factuurwaarde plus 10% (in dit geval dus plusminus ƒ 55.000,-). De vraag zou kunnen rijzen waarom wij een partij bollen die slechts ƒ 23.000,- inkoop kosten, voor ƒ50.000,- factureerden.

Dit gebeurde evenals met de zendingen gladiolen in de jaren 1937 en 1938, alsmede met aardappelzendingen naar dat land. De nationale Bank van Argentinië stelde voor de betaling van de ontvangen goederen niet meer deviezen beschikbaar als dat de factuur luidde. Wanneer wij voor een laag bedrag zouden factureren en de opbrengst hoog zou zijn, kon dit meerdere

bedrag niet worden geremitteerd. Nog belangrijker voor de hoge factuurwaarde is het volgende …”

(Bron: Nationaal Archief)

en dan volgt er in de verklaring van Jan Kloosterboer een heel technisch verhaal over hoe er op dat moment in Argentinië fiscaal werd omgegaan met valuta en belastingtechnisch winsten werden verrekend.

De verklaring van wachtmeester K. Wilbrink maakt in ieder geval duidelijk dat het om een behoorlijke overwaarde gaat waar de gladiolenbollen uiteindelijk voor waren verzekerd.

In de verklaring van wachtmeester K. Wilbrink:

“Door mij, relatant, is op het Centraal Bureau voor de Statistiek te Den Haag een afschrift aangevraagd van het indertijd met het s.s. Arijon uitgevoerde bloembollen, terwijl blijkens het Lloydsregister bedoelde schip was ingeschreven onder No. 87029 en hoorde aan de Compagnie Navigation d’Orbigni, 81 Rue Taitbout Paris 9éme.

Bij onderzoek van de boeken bij Jan Kloosterboer, als bij verzekeringsnemer J. Korthals & Altes, Spui 23, te Amsterdam bleek mij, dat de op het s.s. Arijon door Kloosterboer verzonden bloembollen waren verzekerd voor ƒ 55.157,- op

4 november 1939.

Op 10 november 1939 vertrok het schip uit Antwerpen met bestemming Buenos Aires, terwijl het schip op 22 november in de Golf van Gascogne (Golf van Biskaje) werd getorpedeerd en de gehele lading ging verloren. De verzekering van de lading bloembollen was als volgt verdeeld: Firma Merren en La Porte, Keizersgracht 473 te Amsterdam, vertegenwoordigende de British en Foreign Marine Insp. Cy. LTD, Exchange Street West te Liverpool voor ƒ 40.000,-

N.E. Kröller en Co., Texelsestraat 31 te Amsterdam, vertegenwoordigende de Standard Marine Cy. Ltd. Exchange Building B2 te Liverpool, ƒ7.000,- en de Royal Insurance Com. Ltd. Te Liverpool, North Johnsstreet 1 voor ƒ 8.157,-

.De verzekeringspremie zijnde ƒ 54.605,43 met aftrek van de kosten is door de makelaarsfirma Korthals & Altes te Amsterdam op 22 december 1939 aan Jan Kloosterboer uitbetaald. Zeer waarschijnlijk staat het verzekeringsbedrag der bloembollen niet in verhouding met de waarde daarvan, want blijkens de door mij ten kantore van Kloosterboer gecontroleerde boeken, zag ik, dat deze ƒ 23.817,39 als totaal inkoopsbedrag vermeldde. Het onderzoek naar deze verhoudingen is door mij echter niet uitgewerkt i.v.b. met verdere afwerking der zaak door Bureau Nationale Veiligheid.” Aldus opgemaakt op 10 december 1945.” (Bron: Nationaal Archief)

Onder oud-Pancrassers gaat over deze kwestie het verhaal rond dat de tuinders die de gladiolenbollen leverden geen enkele cent voor hun bollen hebben ontvangen. Zij zouden pas betaald worden als de bollen in Argentinië verhandeld zouden zijn. Dit is echter administratief niet hard te maken, maar behoort tot de rij van geruchten die omtrent deze zaak speelden.

De ondergang van de ‘Simon Bolivar’

De ondergang van de Simon Bolivar was wel een van de meest tot de verbeelding sprekende scheepsramp van Nederland in die tijd. Op 18 november 1939 verging het stoomschip ‘Simon Bolivar’ onder. de oostkust van Engeland, bezuiden het lichtschip ‘Sunk’. Door een ontploffing ging het verloren.

De ‘Simon Bolivar’ was een Nederlands passagiersschip (half vracht, half passagier), van 8309.11 bruto ton, netto 5027.46 registerton van de Koninklijke Nederlandse Stoomvaart Maatschappij (KNSM). Het schip was in 1927 gebouwd en was voorzien van een viervoudige expansie-machine van 4800 Ipk. Bij 81 omwentelingen per minuut bedroeg de vaart ongeveer 13 ½ mijl per uur.

Op 17 november 1939, ’s avonds omstreeks 10 uur vertrok de ‘Simon Bolivar’ voor een reis naar West-Indië. Er waren 265 passagiers aan boord, waaronder 34 kinderen beneden de leeftijd van 12 jaar. De bemanning bestond uit 132 personen. Omstreeks 2 uur ’s nachts vertrok het in de nacht van 18 november van IJmuiden en bevond zich tussen 11.00 en 11.30 uur onder de Engelse kust op weg naar de Downs. Aldaar varende werd het bezuiden lichtschip ‘Sunk’ achtereenvolgens door twee ontploffingen getroffen. 

Getuige K.W. de Grooth, tweede stuurman, heeft het volgende verklaard:

“dat hij in de morgen van 18 november van 4 tot 8 uur de wacht heeft gehad en vervolgens is gaan slapen tot ongeveer 10 uur; dat hij daarna een ogenblik in de kaartenkamer is geweest, waar de kapitein voor de kaart stond en hem wees, dat hij van Noord Hinder recht op het lichtschip “Sunk” wilde koersen, daarbij mededelende, dat hij deze koers de beste achtte; dat hij verder in zijn hut bezig is geweest en, nog steeds daar vertoevende, kort na 11.30 uur de eerste explosie hoorde, die naar zijn herinnering niet aan een schot, maar aan het geluid van een dicht in de nabijheid inslaande bliksemslag deed denken; dat hij met het hoofd tegen het bovendek werd geslagen, zo spoedig mogelijk uit zijn hut snelde en drie der reddingboten alleen aan de voortalies langs het schip zag hangen, daar de achtertalies ten gevolge van de ontploffing waren uitgepikt; dat hij zich naar de brug haastte, waar hij eerst niemand zag, doch bij het stuurhuis komende, waarvan beide deuren wijd openstonden, de kapitein en de roerganger op de grond zag liggen te midden van een grote verwoesting; dat de kapitein reeds bleek te zijn overleden; dat hij bij de doorgang aan bakboord stond, toen een tweede explosie plaats had aan bakboord, juist onder sloep zeven, ten gevolge waarvan de reeds in deze boot aanwezige personen daaruit werden geslingerd; dat het schip, na enige slagzijde over bakboord te hebben gekregen, snel zonk; dat de 117 passagiers wel is waar niet rustig waren, doch dat van enige paniek toch ook niet kon worden gesproken; dat hij tenslotte uit de chaos in zijn hut zijn zwemvest nog heeft kunnen vinden en daarmede aan bakboord van de brug is gesprongen; dat hij niet lang daarna door een Engels oorlogsschip is opgepikt.” (Archief Amsterdam KLAG03305000003).”

Onderzoek van de Raad voor de Scheepvaart leidde ertoe dat het schip niet door torpedo’s ten onder was gegaan, maar door magnetische mijnen.  Deze waren voor die tijd vrij nieuw en men had er nog weinig ervaring mee om ze onschadelijk te maken.

Op de één of andere manier werd de ondergang van de ‘Simon Bolivar’ toegeschreven aan de activiteiten van ‘Barre Jan’ Kloosterboer, maar daar is vanaf het moment dat hij in februari 1940 wordt opgepakt tot zijn vrijlating op 16 mei 1940 in de pers geen sprake van geweest. Er wordt hoogstens melding gemaakt van het feit dat hij zijn activiteiten voor de Duitsers stopt vanwege de torpedering van s.s. Burgerdijk.

‘Barre Jan’

Jan Kloosterboer had al ver voor de oorlog de bijnaam ‘Barre Jan’ Kloosterboer.Charles Destree, de zoon van huisarts en verzetsman Destree, stuurde na lezing van een artikel dat ik naar aanleiding van een krantenartikel uit 1947 op mijn weblog www.schaduwrijklangedijk.nl plaatste de volgende opmerking;

Onderzoek in de archieven van de KNSM, ondergebracht bij Stads­ archief Amsterdam, toonden daarvoor geen bewijs. Niet van aanwezige gladiolenbollen in de lading als van het opstrijken van verzekeringspenningen aan Kloosterboer wegens de ondergang van het schip. De suggestie sloot echter wel naadloos aan bij de geruchten die rondgingen en toch wel enige waarheid in zich had, maar dat had vooral betrekking op het hier eerdergenoemde schip; het Franse s.s. Arijon.

Hoe Jan Kloosterboer voor de oorlog aan zijn bijnaam ‘Barre Jan’ is gekomen is niet helemaal duidelijk. Ook Charles Destree kon daarover in zijn eerdergenoemde mail geen duidelijkheid over geven. Hij schrijft de naam deels toe aan de vrouw van Jan Kloosterboer, maar die heette ‘Maartje’ en geen Jans. Dit was wat Charles Destree liet weten:

Zijn bijnaam lijkt hij me eerder te danken te hebben aan de laatstgenoemde suggestie, want duidelijk is wel geworden dat Jan Kloosterboer zijn slimheid en handelsgeest niet onbetuigd liet als het op zaken doen aankwam.

Wordt vervolgd.

Geef een reactie