Moord te Schagen 12.

In deze serie volgen we het letterlijke krantenverslagen over de moord te Schagen zoals die in de Alkmaarsche en Schager Courant verschenen.

Maandag, den 14, kwam deze treurige zaak voor de rechtbank, alhier, in openbare behandeling. De rechtbank was samengesteld uit de heeren mr. Sannes, president; mrs. Brants en Vollgraff, rechters; mr. van der Crab, subst.-griffier; openbaar Ministerie: mr. Karseboom, terwijl den beklaagde als verdediger was toegevoegd mr. F.H.G. van der Hoeven, advocaat te Alkmaar; bijzittend rechter mr. Gockinga.

Niet minder dan 62 getuigen waren gedagvaard.

Reeds vroeg in den ochtend stond eene groote menigte voor het gebouw, deels om de beklaagde te zien komen of om een plaats te krijgen op de publieke tribune. Deze was dan ook dicht bezet. Ongeveer tweehonderd menschen stonden er opeengepakt. Wegens het groot aantal getuigen werd op gereserveerde plaatsen niemand toegelaten en wegens beperkte ruimte in de zaal was aan slechts vier verslaggevers der pers een plaats afgestaan. De beklaagde is klein van postuur met mager gelaat, lichtblond sluik haar. Hij is gekleed in een net donkerblauw colbert costuum en houdt een slappen zwarten hoed in de hand. Hij maakt volstrekt niet den indruk dat hij in staat is geweest de zware bijl te hanteeren, waarmede hij de vrouw doodde. Onverschillig luistert hij naar de voorlezing der dagvaarding.

De president deelt mede, dat de zitting des avonds en ook dinsdag, den 15, zal worden voortgezet, waarna eerst getuigen gehoord worden in zake de diefstal bij mr. Asser. Bekl. vertelt onverschillig, alsof het eene doodgewone zaak gold, dat hij met zijn vriend Oudshoorn, evenals hij leerling bij de meubelmaker Bierenbroodspot, plan had gemaakt ergens in te breken om geld te stelen, dat bij eventuele feestjes te pas zou kunnen komen. Hij brak op genoemden datum in bij de familie Asser, omdat de familie uit was, en stal een horloge. De inbraak geschiedde met behulp van een beitel uit de werkplaats. Oudshoorn deed niet mede, omdat hij des nachts niet zoo gemakkelijk wist weg te komen.

Getuige Oudshoorn, gedetineerd omdat hij van den moord op beide vrouwen heeft geweten, daar Boes hem den ochtend van den moord om te zwijgen een tientje in de hand stopte, verklaarde dat in de meubelmakerswerkplaats tusschen hem en Boes veel gedobbeld werd, waarbij get. steeds verloor. Boes zeide hem dikwerf, dat hij ergens stelen zou. Get. verklaart, dat hij al het geld dat hij verdiende in de werkplaats, aan zijn ouders gaf en het geld dat hij verdiende met colporteeren van boeken in een spaarpot deed. Hij speelde steeds op hoop van zegen en bleef, als hij verloor, bij Boes in de schuld. De verdediger vraagt, of get. zijn geld in de spaarpot niet behendig daaruit lichtte en er spijkers voor in de plaats deed, zodat, als zijn moeder met den spaarpot rammelde, deze meende dat daarin geld was.

Get. antwoord bevestigend.

De president wijst er bekl. op, dat hij dikwerf gedurende het langdurig onderzoek tegenstrijdige verklaringen deed en anderen beschuldigde. Hij vraagt of hij thans werkelijk in alles de waarheid zal zeggen.

Bekl. belooft dat; hij vertelt dan op de tot hem gerichte vragen, dat hij op zijn 15de jaar van school ging; dat hij ook op catechisatie ging doch geheel wegbleef, omdat hij er niet heen wilde. Bij den meubelmaker verdiende hij ongeveer drie gulden ’s weeks. Zijn moeder, zei hij, was goed voor hem, doch hij bestal haar menigmaal door met een valschen sleutel geld uit de kast te nemen. Dit verteerde hij in een herberg en hij won veel met spelen. Door het lezen van onverstandig geschreven boekjes, als “De onschuldig veroordeelde” en “Het Gevloekte Geheim” kwam hij er toe te denken om eens flink te stelen. Met Jan Oudshoorn sprakhijer al over bij den burgemeester te stelen of bij de wed. Bute, die volgens hun meening wel ƒ 200 bezat. Vandaar dat het plan bij hem opkwam de vrouwen te vermoorden en er te stelen, ook om zich te wreken op Anna Beiers, die van zijn liefde niets weten wilde. Vóór den moord heeft bekl. getracht door een slaapmiddel de vrouwen te vergiftigen, door dit in een kan melk te werpen die de vrouwen zouden gebruiken. Vielen zij in slaap, dan zou hij stelen. Hij nam echter een mes mede om de vrouwen af te maken, als zij niet goed mochten slapen. Van die melk is echter niet gedronken. Later heeft hij loodwit in den koffiepot der vrouwen gedaan. Wonende naast de vrouwen, kon hij achter over een schutting in huis klimmen, terwijl zij voor in den winkel waren. Een derde poging tot vergiftiging was: zuringzout te doen in de koffiekan. Bekl. heeft ook plan gehad de vrouwen snuif in het gelaat te gooien en haar dan met een mes af te maken, of haar een touw om den hals te slaan. Oudshoorn heeft hem dit geraden, hij had het gelezen in de “Twee Wezen”. Bekl. ook den vrouwen taartjes willen geven, waarin loodwit was gedaan, doch onderweg, ’t onweerde dien avond, verloor hij ze. Alle plannen tot moord overlegde hij met Oudshoorn, die echter nooit wilde mededoen. Bekl. had Oudshoorn beloofd hem ook wat van het gestolene te geven, omdat hij er alles van wist. Oudshoorn zette hem steeds op. Bijv. als zij langs het huis der wed. Bute gingen en deze stond aan haar deur, zeide hij “wat een dun nekkie”, bedoelende dat bekl. haar toch makkelijk den hals kon afsnijden. Bekl. zegt alles alleen te hebben gedaan; van zijne familie wist niemand er iets van. Nooit, zegt bekl., heeft hij voor de misdaad teruggedeinsd. Oudshoorn heeft, doelende op Anna Beiers, dikwerf gezegd: “ ’t is toch zonde van zoo’n knappe meid”, maar dan zei bekl.: “ ’t moet toch gebeuren vóór de Alkmaarsche kermis”. Oudshoorn weigerde steeds beklaagde te helpen. Bekl. heeft avonden achtereen over de schutting geloerd om te zien of er een gelegenheid was om de vrouwen te vermoorden. Den avond van den moord, Zaterdag, heeft hij aan de deur nog met Anna gesproken, die toen vertelde Maandags naar Amsterdam te zullen gaan en hem een portret te zullen geven. Hij wist ook, dat Anna Zaterdagavond vroeger naar bed ging dan anders. Dat bekl., door zijn plan twee dagen uit te stellen, althans Anna Beiers zou gespaard hebben, had hij niet bedacht. Bekl. had dien dag geen drank gedronken, dat deed hij nooit in de week. Kwart over elf is bekl. achter over de schutting geklommen; hij had gezien, dat vrouw Bute in de keuken zat te lezen en met een bijl, die hij vond, gaf hij vrouw Bute driemaal een slag op het hoofd. Zij riep driemaal “o God, o God!” Bij den eersten slag keerde de vrouw zich om, toen gaf hij nog drie slagen en liep hard weg. Hij klom weer over de schutting en dronk in de keukenbij zijn ouders water, waarna door de herberg zijns vader de straat opging. Hij wachtte tot er geen menschen meer waren en ging de winkel van vrouw Bute binnen. Uit de winkel nam hij een mes van de toonbank en begaf zich naar de kamer van Anna, die te bed lag. Bij het licht van een lucifer, die hij aanstreek, gaf hij een steek met een mes in haar slaap; vervolgens een snede in den hals, waarbij zij hem een slag in het gezicht gaf. Toen stak bekl. een lamp aan, die op tafel stond en trok een lade uit de kast in de kamer om te zoeken, of er iets in was. Opeens hoorde hij een zucht; hij keerde zich om en zag hoe Anna op haar knieën lag en er uit wilde. Toen duwde hij haar weer in de hoek en bracht haar een wonde toe, waarbij zijn mes krom werd. Bekl. is daarna naar achter gegaan om zich te wasschen; hij hoorde vrouw Bute nog ademen, waarop hij haar met een mes doodde. Vervolgens heeft bekl. zich gewasschen op de achterplaats. Het was toen ongeveer elf uur. Daarna heeft hij uit de kast alles gestolen en zijn zakkken er mede gevuld. Hij hoorde echter leven achter en verschool zich een tijdje waarna hij weder over de schutting klom en het gestolene begroef. Bij het overklimmen der schutting had zijn vader zijn hond uitgelaten, omdat hij gerucht hoorde. Het dier, bekl. herkennende, maakte echter geen leven, zoodat zijnvader zeker dacht zich vergist te hebben. Na alles, op een kleinigheid na, dat hij bij zich hield, begraven te hebben, is bekl. om ongeveer twaalf uur weder over de schutting naar het huis der wed. Bute gegaan. Hij heeft van de nog brandende lamp in Anna’s kamer de peer afgedraaid en toen petroleum het haar van Anna en beddegoed gegooid. Eerst stak hij het haar in brand om te zien of dit brandde en toen dit geschiedde, heeft hij er een kussen opgegooid om de vlam te blusschen. Daarna heeft hij het lijk van vrouw Bute met petroleum begoten, vervolgens het lijk van Anna Beiers uit bed gehaald, om zijn pet te zoeken, die hij verloren had. Doch hij zocht niet lang, want die zou wel met alles verbranden. Hij stak de lijken in brand, trok zijn schoenen weer aan en verliet voor door den winkel het huis. Dat ook de huizen der buren in brand zouden gaan, begreep bekl. Hij had dat reeds met Oudshoorn besproken. Kwam de brand ook in het huis van Boes, dan zouden zij samen beklaagde’s familie redden. Oudshoorn kan dan tevens door vlug met de spuit van “Lycurgus” te komen, de premie krijgen. Toen beklaagde thuis kwam, had zijn moeder hem nog gevraagd waarom zijn haar zo nat was, waarop hij antwoordde “dat hij aan de pons was geweest bij Hoekstra (een kennis) en zijn pet in de sloot was gevallen. Hij was toen naar boven gegaan en bij zijn broertje gaan slapen. Tegen twee uur wakker wordende en geen brand ziende, is hij in nachtgewaad weer over de schutting naar het huis van de wed. Bute gegaan, heeft uit een kan met petroleum de lijken weer begoten en weder aangestoken en de keukendeur half open gelaten. Weer is hij naar bed gegaan en om zes uur wakker geworden en nog geen brand ziende, is hij weer naar de woning der vermoorden gegaan om zijn pet te halen. Hij vond die met bloed bevlekt in de bedstede van Anna Beiers en is die pet gaan uitspoelen achter bij hem op de plaats. Weer ging bekl. naar boven en kwam een half uur later beneden, hij ging zijn kleeren uitwasschen, bewerende dat die vol modder waren, omdat hij in een sloot had gezeten, gelijk hij tot zijn moeder zeide. Maandags heeft zijn moeder, toen zij bij het uitwringen van beklaagdes overhemd bloedwater zag, gevraagd, of hij het niet gedaan had. Was dat zoo, dan was het beter zich te verdrinken dan geboeid de deur uit te gaan. Zijn moeder had later beloofd bekl. zooveel mogelijk voor te spreken, maar als ’t te erg liep, zou zij de waarheid zeggen, liever dan ook gestraft te worden. Beklaagde heeft steeds de daad jegens zijn moeder ontkend, al trachtte deze hem ook uit te hooren. Maandags heeft bekl. Oudshoorn gesproken en gezegd “’t is afgeloopen”, waarop Oudshoorn zeide: “’t is gauw gegaan” en van bekl. het tientje kreeg dat bekl. in zijn vest had gestoken.

Op 20 Augustus heeft bekl. een gestolen ketting opgegraven en geworpen op het erf van Simon Alot, om aan die de schuld te geven. Hij had dit ook aan Oudshoorn gezegd. Daarna volgde de arrestatie.

Met een ijzingwekkende kalmte vertelde bekl. gedurende twee uren lang al deze bijzonderheden en nu en dan ging een gemompel van verontwaardiging door het publiek.

Na de pauze van ongeveer drie uur vraagt de president den bekl. of hij thans het vreeselijke der gepleegde feiten begrijpt. Bekl. antwoord bevestigend; hij zegt ook nu en dan berouw over de daad te gevoelen. De verdediger vraagt, of bekl. overtuigd is, dat zijn moeder door is. Hij zegt dit thans te gelooven en te weten, dat zij de hand aan zich zelve sloeg. De verdediger vraagt verder of de vader van bekl. van niets geweten heeft en niet gezegd heeft: “Klaas, dat is wat al te erg.” Bekl. antwoord ontkennend. Op het kerkhof bij de begrafenis der slachtoffers heeft de moeder bij de lijkrede van de predikant bekl. streng aangekeken.

Heeft, vraagt de verdediger, uw moeder van dat opgraven van de ketting geweten? Bekl. antwoordt ontkennend. Hij is tot de misdaad gekomen uit een verhaal, dat hij in een der boeken had gelezen! Hij zegt, dat hij allereerst over de misdaden sprak en hij Oudshoorn vroeg elk met een touw, een der vrouwen te dooden, doch Oudshoorn wilde niet. Alsnu neemt het getuigen verhoor een aanvang.

De eerste getuige, de rechter-commissaris Lagerweij, deelt mede wat hij in de woning der weduwe vond na den moord. Hij verklaart verder, dat bekl. steeds kalm was en eerst eenige aandoening toonde, toen hij bekende alles te hebben gedaan. Ook bij de mededeeling van het overlijden zijner moeder was hij eenigszins aangedaan. Doch hij vroeg nooit bijzonderheden daarover. Get. kreeg nooit den indruk te doen te hebben met een ontoerekenbare.

Bekl. zegt, dat hij zich steeds toonde zooals hij was en geen onvoorschilligheid voorwendde. Er werden o.a. gelezen een brief van bekl. aan zijn ouders, waarin hij vergiffenis vraag voor zijn daad, en een aan Oudshoorn over allerlei zaken, Schagen en zijn vrienden betreffende, brieven die volstrekt niet slecht gesteld waren.

Daarop volgt het verhooren der dokters-deskundigen, de heeren J.C.M. Simomon Thomas en Melchior. Na beëediging wordt het door hen opgemaakt verslag voorgelezen van de uit- en inwendige schouwing der lijken. De wond in den hals van Anna Beijers is 101/2 duim. Tal van andere wonden op allerlei verschillende plaatsen van het lichaam zijn bij haar geconstateerd. De inwendige schouwing heeft, in verband met de uitwendige schouwing, tot de conclusie geleid, dat het meeste bloed, tengevolge van de toegebrachte wonden, uit het lichaam is gevloeid en dat de dood, na het toebrengen van de wond aan den hals, wat met een zeer scherp mes moet zijn geschied, zeer snel daarna, tengevolge van het groot bloedverlies, moet zijn ingetreden.

De weduwe Bute, bij wie blijkt een groot hiaat in den schedel aanwezig te zijn, die op twee plaatsen gekloofd is, blijkbaar met een zwaar, weinig scherp voorwerp en met groot geweld, moet deze verwonding het eerst hebben ondergaan. De groote snede in den hals moet wel nog bij het leven zijn aangebracht, maar toen de krachten reeds zeer verflauwd waren. De dood moet, volgens de conclusie dan ook, zijn veroorzaakt door de verbrijzeling van den schedel en de beleediging der hersenen, die aan de oppervlakte in eene onherkenbare massa zijn veranderd. De jukbeenderen zijn gespleten en het voorhoofdsbeen is gebroken. De halssnede zou op zich zelve ook den dood ten gevolge moeten hebben, maar kan nu wel den dood eenigszins hebben verhaast. Zeer mogelijk is, dat e nog betrekkelijk geruimen tijd verloopen is tusschen de verwonding aan de hersenen en de verwonding aan den hals en dat die laatste heeft plaats gehad, terwijl zij nog leefde.

Anna Beijers moet overleden zijn aan de algeheele verbloeding tengevolge van het doorsnijden der slagaderen in den hals. De verwondingen, die zeer diep zijn, moeten met een buitengewoon scherp werktuig zijn aangebracht. De heer dr. Simon Thomas verklaart, dat het toebrengen der halsverwondingen niet is geschied door het kromgebogen mes, dat daartoe niet scherp genoeg is, maar met buitengewone kracht en snelheid is het mogelijk.

Getuige heeft bij beklaagde, 14 dagen na den moord, eene wond aan zijn pink geconstateerd. Beklaagde had, volgens hetgeen hij aan getuige heeft gezegd, bij zijn eerse verhoor door de justitie, toen hij nog in vrijheid was, zijne handen met de binnenzijde op de knie gehouden, om de kleine verwonding, die hij bij de worsteling met Anna Beijers had gekregen, verborgen te houden.

In de avondzitting, te zeven uur begonnen, werd het getuigenverhoor voortgezet. De publieke tribune was nog dichter bezet dan des middags.

Eerste getuige was de brigadier-rijksveldwachter van der Struif, die bij het eerste onderzoek na den moord tegenwoordig was. Deze verhaalt van de moeder van bekl., dat zij met de politie niet veel ophad, daar zij eens wegens mishandeling terechtstond. Bekl. zelf had nooit iets met de politie te doen en maakte nooit misbruik van sterken drank. De moeder kon van hare kinderen nooit kwaad hooren en de man had thuis niet veel te zeggen. Waarom vrouw Boes zelfmoord pleegde, weet get. niet. Van Jan Oudshoorn weet hij alleen, dat hij een zeer stil persoon was; hij zag hem nooit laat op straat.

De gemeenteveldwachter Abma getuigt ook wat hij ’s morgens in de woning der weduwe vond, o.a. dat onder het lijk van Anna Beijers een gat in de vloer was gebrand. Get. wist van de familie geen kwaad te zeggen, ook niet van Jan Oudshoorn, bij wiens ouders hij veel aan huis was en wien hij noemde een weinig spraakzaam persoon.

Get. Domper, gemeente-reiniger, verklaarde dat bekl. den volgenden ochtend met de menigte door de ruiten bij de vermoorde vrouwen keek en zeide: “Hier moet je gaan staan om goed te kunnen zien!”

Bekl. zegt dat gedaan te hebben omdat hij meende, dat men anders zou denken dat hij er meer van wist.

Een der getuigen, vrouw Slik, kwam den avond van den moord langs het huis der weduwe en zag door het winkelraam in de keuken vrouw Bute erg achterover in haar stoel liggen. Zij talmde wel een oogenblik daar zij die houding gek vond, doch liep toch door, meenende dat vrouw Bute sliep. Bekl. heeft toen, zonder dat get. dit opmerkte, op straat achter haar gestaan en kon ook vrouw Bute zien zitten.

Get. Roggeveen kwam met get. Posker ’s avonds uit de herberg van Boes en hoorde bij de weduwe roepen: “o God, o God!” en gillen, en meende de stem van Anna Beijers te herkennen. Doch Posker merkte op dat de vrouwen zeker ruzie hadden. Later kwam get. Kweldam er ook bij; zij zagen in de voorkamer bij de weduwe eenige malen lucifers aanstrijken en meenden dat de lamp werd aangestoken. Een geluid door hen gehoord, schreven zij toe aan de aanstalten der bewoners om naar bed te gaan.

Get. Posker noemde het gegil dat men hoorde “een aangrijpend geluid.” Toch ging hij niet binnen, meenende dat er ruzie was.

De zitting werd hierna verdaagd tot Dinsdag, den 15

Wordt vervolgd.

Geef een reactie