Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 13.

Hamlet II. 

Eén van de torenchauffeurs bij Hamlet, Guus van Outersterp, bezorgde ons bij één van de voorstellingen een tenen krullende vertoning. Zoals wel vaker bij het Publiekstheater had een aantal collegae de gewoonte om voordat ze ergens gingen eten, eerst nog even de kroeg in te duiken. Vaak had dat tot gevolg dat zij rond etenstijd eerst nog een biertje dronken en tegen de tijd dat ze weer op hun klokje keken tot de conclusie kwamen dat daar nog maar weinig tijd voor was. Het drankgelag werd dan met een balletje gehakt in het café afgerond en met een flinke snee in de neus kwamen ze dan een uur voor de voorstelling in het theater terug. 

Ik weet niet meer in welke plaats het zal zijn geweest, maar Guus was met Kees Bakker in het café blijven hangen. Kees die op toneel verder weinig had te doen, zocht al snel een potenbak* op waar hij in kon gaan slapen, maar Guus moest die avond de toren op rechts bemannen. Al tijdens het eerste changement bleken de opdraairemmen van mijn toren een uitkomst te zijn, want ik had de remmen koud vast staan of met een enorme dreun werd er tegen mijn toren aangereden. Tot twee keer toe stond mijn toren te schudden en toen hoorde ik de toren naast mij, links op het toneel geraakt worden. Omdat het tien minuten zou duren tot het volgende changement ging ik mijn toren uit, onder de rondhorizon door naar het toneel op links waar de regie-assistente via de zender contact met Guus probeerde te krijgen. 

Dick Heinz die daar de lichtstanden stond door te geven, probeerde uit alle macht de toren van Guus uit de manteau terug het toneel op te duwen. Ook op links stond ook Ton Lutz zich voor te bereiden op zijn opkomst als de geest in Hamlet en die zag het schouwspel met argusogen aan. Het leek te lukken. De toren van Guus ging weer richting midden van toneel alwaar hij voor de mijne tot stilstand kwam. We hoorden de remmen die werden opgedraaid en de rust leek hersteld. Ton Lutz kreeg attentie voor zijn opkomst, de bijbehorende lichtstand werd doorgegeven en het geluid op de band werd gestart. 

Ton Lutz ging op. Net toen hij halverwege het toneel was bij de toren van Guus zwaaide de deur van de toren open, niet aan de achterkant, nee gewoon front zaal. Een kaal verwilderd hoofd keek naar buiten en bijna recht in het gezicht van Lutz. Verbaasd keek Guus om zich heen en tot zijn grote schrik zag hij daarop het publiek. 

Hij dook weg in zijn toren, de deur sloot, de draairemmen hoorden we losgedraaid worden en de toren vervolgde richting zijn uitgangspositie. Er is nadien een hartig woordje met hem gesproken vermoed ik. De pin-ups op de binnenkant van zijn deur werden in ieder geval door hem verwijderd.

Wat er aan vooraf ging. 

Bij de generales van Hamlet in het cultureel centrum was het voor het eerst dat ik voor mijn collegae ging koken. We werden bij repetities in Amstelveen wat betreft eten ernstig beperkt door de hoogte van het séjour, omdat Amstelveen volgens onze directie onder Amsterdam viel en tot thuisbasis werd gerekend. Het dinergeld in de standplaats was niet hoger dan vijfentwintig gulden en als je gewend bent om daar normaal het drievoud van uit te geven dan kunt u zich wel indenken dat we ernstig beperkt waren. Meer dan dinergeld werd niet betaald, omdat men ervan uitging dat je in de standplaats woonde en thuis ging eten. 

Voor mezelf was dat echt een vervelende factor, want ik woonde in Schagen en heen en weer rijden, als daar al gelegenheid voor was, kostte me al meer aan benzinegeld dan het aan dinergeld opbracht. Daar kwam bij dat de keuze in die tijd wat betreft eten in Amstelveen minimaal was. Als voormalig kok had ik bedacht dat we met zijn allen van die vijfentwintig gulden prima konden eten en drinken als we dat zelf zouden verzorgen. 

Ik had daarom contact gezocht met Marty Henrichs, de toneelmeester van het Cultureel Centrum in Amstelveen en via hem hoorde ik dat Wim Barry, de directeur, het prima vond als ik in de grote kleedkamer onder het toneel zou gaan koken. 

Aan het eind van een repetitie in het repetitielokaal in de Stadsschouwburg besprak ik dat met mijn collegae. Ikzelf had een twee pits campinggastoestel en daar kon ik redelijk mee overweg, maar twee van die apparaten zou wat makkelijker zijn. Guus van Outersterp zou voor nummer twee zorgen. 

Eric Schneider die Hamlet speelde en ons erover hoorde praten vroeg terplekke of hij ook mee kon eten en dat was prima. Op dat punt was ik wel wat gewend. Ik zou de eerste dag voor acht man koken en ging ’s morgens boodschappen doen voor lunch, diner en spiritualiën. Dit werd hoofdelijk omgeslagen over de deelnemers en ondanks dat Amstelveen als standplaats werd beschouwd en wij maar vijfentwintig gulden kregen als séjour, hielden we er allemaal aan over. Iedereen tevreden. 

Dat we met een man of acht in die kleedkamer zaten te eten viel meerdere mensen op en op dag twee bleek dat ik die dag voor vijftien man moest inkopen en koken. Die middag nam ik bij de doorloop aardappelen mee mijn toren in, zodat ik tussen de changementen door aardappels kon schillen. Dat ging goed tot het changement waarin Eric Schneider als Hamlet zijn “To be or not to be”-scène heeft en tegen mijn toren aan geleund stond. 

Het changement was achter de rug en ik had me weer zittend op de bodem van de toren geïnstalleerd en terwijl Eric naar mijn toren kwam, was ik alweer aan het schillen geslagen. Plotseling schiet Eric Schneider enorm in de lach, waarop Hans Croiset als regisseur vanuit de zaal vraagt wat of er aan de hand is. Eric verontschuldigt zich, er was niets aan de hand en hij vraagt of we het changement nog eens over kunnen doen. Voor mij hield het in dat ik de aardappels en de pan met water weer binnenboord moet zetten, de remmen los en de toren terugrijden naar de positie van daarvoor. De laatste lichtstand van voor de black-out terughalen, geluidsband terugspoelen waarna black-out, geluid en changement weer opnieuw van start gaan. De remmen vastzetten, de lichtstand van de scène in, de aardappelen en de pan weer op de vloer en erbij gaan zitten om verder te gaan met schillen. 

Eric komt op voor zijn scène en begint daarop weer te lachten. Na verontschuldigingen van hem, neemt hij niet het changement terug, maar slechts zijn opkomst. Ook na die opkomst blijft hij de slappe lach houden. Na de vierde onderbreking wordt het Hans Croiset te veel en nieuwsgierig geworden komt hij het toneel oplopen. Inmiddels was ikzelf klaar met mijn aardappels en geen weet hebbend wat er buiten de toren gebeurde, had ik bedacht dat ik dan ondertussen mijn aardappels alvast wel naar de kleedkamer kon brengen. Hans Croiset kwam bij mijn toren aan op het moment dat ik de zijdeur opende en met een pan met aardappelen en een bak met schillen naar buiten kwam. En bijna tegen Hans op bots.

Verbouwereerd keek Hans mij heel lang aan, zijn ogen schoten van de pan met aardappelen naar mijn gezicht en weer terug. Ik was me echt van geen kwaad bewust, deed tenslotte normaal de dingen die van me werden verwacht en zelfs ook iets meer dan dat. 

“Wat zijn dat?”, vroeg hij mij. 

Ik weet niet hoe mijn antwoord heeft geklonken of hoe het overkwam, maar van enige verbazing moet wel sprake zijn geweest in mijn stem. Zo’n stomme vraag had ik toch niet verwacht. Dat je een regisseur hebt die niet weet wat aardappels zijn, dat ging er bij mij niet in. “Dit Hans, zijn aardappels”, antwoordde ik en liep hoofdschuddend het toneel af naar de kleedkamer. Tijdens het avondeten die avond vertelde Eric in kleuren en geuren wat er die middag precies met hem gebeurde. Terwijl hij zijn claus begon hoorde hij binnen in de toren een aardappel in een pan met water vallen. Hij zag dat letterlijk voor zich en in relatie tot de scène die hij speelde ook het absurde van dat moment. Hij had zijn uiterste best gedaan om niet in lachen uit te barsten, maar toen de daaropvolgende aardappel het water raakte, ging het fout bij hem. Hij had zijn uiterste best gedaan om de oorzaak van zijn lachen voor de regisseur bij hemzelf te houden, maar had staan huilen van het lachen op het moment dat Hans en ik elkaar daar bij de deur tegenkwamen. Voor Hans was kunst altijd een ernstige en serieuze aangelegenheid en die aardappels die moeten wel heel erg hard bij hem zijn binnengekomen. Bij het afscheid van Hans Croiset van het Publiekstheater heeft Chiem van Houwingen “De Midzomernachtsmerrie van Hans Croiset” geschreven, waarin alle vreemde voorvallen uit zijn periode bij het Publiekstheater waren verwerkt en door de betrokkenen van toen werden opgevoerd in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Ik heb daarbij mijn aardappelscène nog eens dun geschild over mogen doen. 

De eerstvolgende generale in Amstelveen kwam Wim Barry vertellen dat het koken in de kleedkamer niet meer kon. Het had nog weken na ons vertrek in het Culturele Centrum naar gebakken vis geroken. Ik kreeg een ruimte achter het toneel toegewezen en die voldeed ook heel goed. 

  • potenbak – vaak moest op toneel de afstopping worden verhangen, de verticale (poten) en horizontale (friezen) doeken waarmee alle randapparatuur aan het oog van het publiek werd onttrokken. Veel decors en ook geschilderde doeken die bij voorstellingen werden gebruikt waren vlamvertragend geïmpregneerd. Dit gaf op de toneelvloer vaak veel stof. Om te voorkomen dat de ‘poten’ en de ‘friezen’ stoffig zouden worden als zij op de vloer kwamen bij het wisselen, had men verrijdbare bakken waarin men de poten en de friezen kon laten zakken zonder dat zij de vloer raakten. De bakken voor de friezen waren langer dan de potenbakken en voor ons technici ook vaak uitgelezen plekken om ons tekort aan slaap in te halen als we even niet op toneel noodzakelijk waren.

Geef een antwoord