Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 18.

Het Balletorkest 

Mijn eerste voorstellingen in de Amsterdamse Stadsschouwburg had ik met toneelgroep Globe in seizoen 1974-1975 en ik denk dat ik toen over dat seizoen een keer of vier daar in huis was. Ik heb daar in de Stadsschouwburg mijn ogen uitgekeken, want het was het vaste woonhuis van Het Nationale Ballet, de Nederlandse Opera en het Publiekstheater. 

Er liepen vogels van diverse pluimage in dat gebouw rond. Zangers en zangeressen die door de gangen liepen en hun stemmen warm zongen. Niet meteen het prettigste geluid om te horen. 

Acteurs en actrices die tussen repetitieruimte en artiestenfoyer heen en weer liepen en vooral ook heel veel dansers en danseressen in de meest bijzondere repetitiekleding-outfits. 

Het was voor mij als nieuwkomer in het theater en onvergetelijk schouwspel dat diepe indruk maakte. Wat verder opviel in vergelijking met de theaters in de provincie waar ik dan al was geweest, was het grote aantal medewerkers op het toneel van de schouwburg. 

Iedere toneelknecht had zijn eigen specialisme, zoals elektricien, timmerman, schilder, stukadoor en stoffeerder. Ik vergeet nog heel wat disciplines, maar het was een ervaring op zich om met deze mensen samen een voorstelling te bouwen. Het seizoen erop zou ik met mijn overgang naar het Publiekstheater de Stadsschouwburg nog beter leren kennen en ook gaan waarderen. 

Ik denk dat de Stadsschouwburg van Amsterdam samen met Carré, toen zeker, behoorden tot de twee theaters van Nederland waar eigenlijk bijna alles mogelijk was. Misschien is het beter om te zeggen dat deze theaters ten opzichte van de rest van Nederland de minste beperkingen hadden. Dat zat hem niet alleen in de technische mogelijkheden van de gebouwen, maar kwam voor een groot deel ook op het conto van het personeel dat er werkte. 

Bij het Publiekstheater was je toch altijd wel een paar dagen in de week in de schouwburg, hetzij met een voorstelling of voor repetitie en/of onderhoud. Je kreeg daardoor veel meer mee van de andere huisgenoten. Wat mij vooral opviel op de dagen dat het Nationale Ballet er voorstellingen had die live werden begeleid door het balletorkest was dat er zo rond het avondeten muzikanten de foyer binnen kwamen die met elkaar de muziekpartituur doorspraken. 

Op een bepaald moment, na wat gesprekken met muzikanten en andere bewoners, hoorde ik dat er op zo’n moment sprake was van muzikanten die invielen voor zieke collegae. Of het echt een ziekmakend beroep is orkestbakmuzikant dat weet ik niet, maar ik kreeg daardoor toch wel de indruk dat hier sprake was van een heel kwetsbare groep. 

De remplaçanten, zoals deze invallers werden genoemd, werden veelal binnen gehaald vanuit het Brabantsorkest. In dat eerste seizoen Publiekstheater had ik sterk de indruk dat het Brabantsorkest wel bijna nooit optrad omdat veel van hun muzikanten invalbeurten voor het balletorkest vervulden. Tot iemand me vertelde dat het die muzikanten extra geld opleverde als ze over en weer met elkaar ruilden. Een muzikant van het Balletorkest meldde zich ziek in de wetenschap dat zijn college bij het Brabantsorkest dat ook deed. 

Dit had tot gevolg dat een uur voor aanvang muzikanten nog met hun collegae de partituur doornamen in de artiestenfoyer. Het duurde nog tot maart 1978 voor ik erachter kwam dat het ook hoorbaar zijn invloed had op de uitvoeringen van het Balletorkest. 

Vanaf maart 1978 werkte ik als tweede inspiciënt bij het Nationale Ballet.

In eerste instantie had Jan Hofstra me gevraagd om in september te beginnen, maar toen Martin Seinen (kan ook Zijnen zijn geweest), wiens plek ik zou opvullen, in de gaten had dat ik in maart al beschikbaar was, maakte hij van de gelegenheid gebruik om eerder bij het ballet weg te gaan. Het Balletorkest stond in die tijd onder leiding van Adam Gatehouse en daar heb ik eigenlijk een enorme bewondering voor gekregen, want je zult toch maar steeds van die personele wisselingen in je orkest hebben en de uitvoeringen met die lui steeds tot een goed einde moeten brengen. Een goede balletuitvoering valt of staat tenslotte bij een tempi die dansbaar moeten zijn voor de dansers.

Adam  Gatehouse deed dat volgens mij perfect, hoorde daar zelden commentaar op. Dat het wel eens niet helemaal zuiver was daar kon hij weinig aan doen. Het orkest stond nu niet bepaald uit mensen met zelfkritiek en/of collegae die elkaar op onvolkomenheden aanspraken. Wat dat betreft stonden zij in schril contrast met dansers en technici van het ballet. Die vertelden mekaar nog weleens ronduit de waarheid! De eerlijkheid gebiedt dat niet alle uitvoeringen van het Balletorkest uit de toon vielen. Gelukkig niet. 

Ik denk nog steeds met plezier en warmte terug aan hun uitvoeringen van Life/Live in Carré in het kader van het Holland Festival. Het heeft bij mij nog tot seizoen 1980-1981 geduurd tot het Balletorkest me ‘muzikaal’ te veel werd en ik vond dat ik er toch eindelijk eens op moest reageren. We speelden in dat seizoen het Fokineprogramma, met ‘Les Sylphides’, ‘Spectre de la Rose’ en ‘Petrouska”. Voor ons als technici was dat een voorstelling waar we behoorlijk wat werk aan hadden met opbouw en changementen. Nu zit er in ‘Petrouchka’ een trompetsolo en die had al een behoorlijk aantal voorstellingen niet geklonken zoals hij behoorde te klinken. Ik denk dat het de kerstbespeling 1980 in de Stadsschouwburg was of vlak voor oud en nieuw in dat jaar dat het mij persoonlijk te veel werd. Iedereen op het toneel doet zijn/haar verrotte best om een topvoorstelling neer te zetten en ergens vanuit de diepte, voor het toneel, uit de orkestbak weet een trompettist je het schaamrood op de kaken te blazen. 

Ik was zo ontzettend kwaad dat ik op een briefje het volgende schreef;
“HH Musici. U gaat nu naar huis, wat blijft zijn mijn tuterende oren!” 

Ik schreef het met een grove filtstift op een te klein briefje. Ik had niet beter op dat moment en plakte het op de deur van de stemkamer. Toen ik weer op toneel kwam vertelde ik het aan onze productieleider, Dhian Siang Lie. 

Het kleine briefje had grote gevolgen. 

De week erop kwam Dhian Siang Lie naar me toe en vertelde; “Er is een probleem met jouw briefje ontstaan. Het Balletorkest is boos en wil uitgezocht hebben wie dat briefje heeft geschreven.” 

Omdat het briefje nogal klein was had ik het niet ondertekend en dat was stom van me. 

Zowel bij het Balletorkest als bij de directie van het ballet bestond het idee dat het briefje afkomstig was van een danser. Men overwoog om onderzoek te doen en eventueel handschriften te vergelijken. Dhian Siang Lie vroeg of hij mocht vertellen dat ik dat was geweest en dat vond ik geen probleem. Ik hoorde later van hem terug dat Rudi van Dantzig blij verrast had uitgeroepen; 

“Het was een technicus!” 

Ik werd bij Rudi en Anton Gerritsen op kantoor uitgenodigd en Anton vertelde dat er door het briefje toch een probleem was ontstaan en dat de leden van het Balletorkest excuses eisten en of ik dat in een brief wilde gaan doen. Ik heb daarop toen aangegeven dat ze op dat punt wel gelijk hadden en dat ik er geen moeite mee had om dat te doen. Ik had tenslotte het briefje niet ondertekend en dat was op zijn minst een excuus waard. Wat betreft mijn opmerking over het spel zou ik niets terugnemen. Anton ging daar schoorvoetend mee akkoord, maar wilde voor verzending de brief nog wel eerst lezen. En aldus geschiedde. 

Aan het eind van het seizoen zou ik bij het ballet weggaan en voor mezelf beginnen met lichtverhuur en als freelancer, tegenwoordig heet dat zzp-er. Een groot aantal medewerkers van het balletorkest hebben me tot de laatste dag bij het ballet niet al te vriendelijk aangekeken en in de artiestenfoyers waar we gelijktijdig waren werd ik vooral door hen gemeden. 

Of het na de zomer van 1981 of begin zomer 1982 was weet ik niet helemaal meer, maar het Balletorkest bestond toen twaalfenhalf jaar en ze vierden dit in het Vlaams Cultureel Centrum, ‘De Brakke Grond’. Via een collega wilden ze licht bij me huren om de podia buiten de theaterzaal te belichten. Het was een vrij grote klus voor mij toen om te doen en ik had een man of vier extra aan mensen nodig om op te bouwen en om het licht ’s avonds ook te bedienen. Men had één restrictie; Martin Wagenaar mocht het licht wel verhuren, opbouwen en afbreken, maar ik was persona non-grata tijdens het feest. Ik mocht binnen niet gezien worden, want stel je voor ze speelden soms niet alleen vals ze konden het blijkbaar ook zijn. 

Nu was dat voor mij helemaal geen probleem, want na het afbreken moest ik bijna onmiddellijk door naar een volgende klus. Ik had mijn bedje opgemaakt in de bestelauto waar ik de materialen mee vervoerde en heb tijdens het feest heerlijk kunnen slapen. 

De laatste keer dat ik met het Balletorkest van doen had moet in 1984 of 1985 zijn geweest. De bouw van het Muziektheater bereikte het hoogste punt en ter gelegenheid daarvan wilden de musici de bouwvakkers verrassen met een muzikale fruitmand. Ze hadden licht nodig om hun bladmuziek te kunnen lezen. Het was ergens hoog in het gebouw waar het feest zou worden gevierd met verschillende biertapinstallaties en haringkarren voor de broodnodige ‘Hollandse Nieuwe’. 

Toen de aanwezige bouwvakkers al de nodige glazen bier achterover hadden geslagen begon het Balletorkest met haar verrassing; de ‘Bolero’ van Ravel! Na een minuut of acht zag je een aantal bouwvakkers om zich heen kijken, net of ze iets hoorden, maar dat duurde niet lang, want het mooie van de ‘Bolero’ is toch wel dat op het moment dat je je bewust wordt van de muziek, deze alweer aan het afsterven is. Ik heb, denk ik, die middag met een enorme grijns op mijn gelaat rondgelopen. Een mens kan wat dat betreft toch enorm genieten van zijn medemensen.

De grijns was echter tweeledig, want niet alleen de artistieke keuze van het orkest was daar de oorzaak van, maar ook het feit dat ik bij het Nationale Ballet was weggegaan, omdat ik geen zin had om in zo’n groot technisch verband van ballet, opera en muziektheater te gaan werken. Simpel gezegd; Ik zag werken in een fabriek niet als mijn toekomstbeeld. 

Dankzij het Balletorkest was ik wel de eerste belichter die in het muziektheater werkte en dat was zeker ook een grijns waard. 

Op de persoonlijke pagina van de Theater Encyclopedie treft u een heel overzicht van de tot nu toe gepubliceerde theaterverhalen zoals die hier op mijn blog zijn verschenen. De link hieronder geeft u direct toegang.

https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Martin_Wagenaar

Geef een reactie