Walvis op het strand van Callantsoog.

Bijvangst.

Dat ik in mijn zoektocht naar Langedijker kwesties in kranten en archieven de stranding van een bark meepik, komt vooral door het feit dat ik toch voor een groot deel door en met de zee ben opgegroeid. Vandaar dat ik regelmatig ook aantekeningen maak van berichten over strandingen en scheepsrampen op en voor de Noordhollandse kust. Twee maanden voor de ramp met de bark LIBERTAS in december 1895 had er in Callantsoog nog een andere stranding plaatsgevonden die, gelezen de krantenartikelen voor heel wat toeloop had gezorgd in het toen nog heel kleine Callantsoog. De Schager, de Alkmaarsche en de Texelse Courant konden hun kolommen die maand oktober aardig kunnen vullen met berichten over de walvis. Dit artikel belicht deze vergeten stranding.

In een tijd zonder digitale media

De Alkmaarsche Courant maakt als eerste op 9 oktober 1895 melding van de walvis. Nieuwsfeiten gaan in die dagen nog niet erg snel rond. De kranten verschijnen om de twee à drie dagen en ook het telegraafnetwerk voor het versturen van telegrammen was nog geen dekkend net. Veel nieuws ging vaak ook nog van mond tot mond. Het kadaver was op ongeveer 1000 meter ten noorden van de dorpskom aangespoeld verkeerde in een verre staat van ontbinding en verspreidde volgens de krant een ‘onverdragelijken reuk’.

Dat nam niet weg dat Callantsoog op 6 oktober al te maken kreeg met een flinke aanloop van nieuwsgierigen en men nam zich al voor om net als een paar jaar eerder op Terschelling de walvisspek uit te koken, want daar leverde het meer dan ƒ 300,- op.

De Schager Courant komt een dag later met de melding over de stranding en blijkbaar zijn de eerste berichten die op de redactie binnen kwamen van dien aard geweest als zou er een monster zijn aangespoeld. De redactie meldt: “Het te CALLANTSOOG uit zee aangespoelde monster, is gebleken een vinvisch te zijn, van het vrouwelijk geslacht, behoorende tot de familie der walvisschen.” In dit artikel wordt ook gemeld dat een deskundige heeft geconstateerd dat het dier reeds zes maanden dood moet zijn.

Een ‘deskundige’ heeft echter geconstateerd dat “het spek nog in gaven toestand en de traan van uitmuntende qualiteit” is.

Naar de dierentuin.

Het geraamte werd door het bestuur van Artis aangekocht en onder leiding van een deskundige van Artis begint men op maandag 7 oktober met het afsnijden van het spek en het schoonmaken van de beenderen. Met tien man wordt dit werk uitgevoerd en men verwacht tien dagen nodig te hebben om de klus te klaren.

Of het dier werkelijk al zes maanden dood was valt sterk te betwijfelen. Een dode walvis ontwikkelt inwendig heel veel gassen en komt dus al snel aan de oppervlakte drijven. Daardoor is het als eerste een prooi voor de zeevogels en ze zal door de gasvorming snel openbarsten.

In de bijdrage “Opa Vos vertelde” in de uitgave van de historische vereniging van Callantsoog; De Clock van Callens-Ooghe, 1 maart 1987, pag. 13 vertelt Opa Vos dat hij getuige is geweest van die walvis op het strand. Hij vertelt; “Un entje strand op lag er een groote hoop, net autobanden an mekaar die oppompt ware. Vanzelf docht ik, dat dat de walvis was, maar later hoorde ik, dat ’t darme ware die er uitspoelt ware.

De echte walvis lag veul verder. Wie hem vonden had, weet ik niet, maar wel wie d’r nag wat anverdiende”.

De walvis is mogelijk pas op het strand opengesprongen, dat verklaart dat de darmen op enige afstand van het kadaver lagen en de walvis bij stranding nog redelijk in takt moet zijn geweest.

Opa Vos vertelt ook dat er flink aan verdiend werd door een aantal mensen; “Gert Bokkel en ouwe Jan Vos zette d’r een groot zail om heen en as je un kwartje betaalde mocht je ’t beist zien en luchte! Want hai stonk best!”

Op vrijdag 11 oktober 1895 meldt de Alkmaarse Courant dat het aantal bezoekers van de walvis die week verbazend groot is geweest. Men schat het op meer dan duizend personen. Ondertussen is ook bekend geworden dat Artis ƒ 300,- voor het geraamte aan de strandvonder heeft betaald.

Op het strand maakt men zich op dat moment druk over een tekort aan vaten om het spek in te doen. Hoewel het spek op dat moment nog niet aan een traanstokerij in het land is verkocht schat men honderden vaten nodig te hebben voor al het spek.

De Nieuwe Langedijker Courant maakt op 20 oktober 1895 melding van nog een stranding. Op 12 oktober werd op het strand van Callantsoog een lijk gevonden en een dag later dreef er nog een lijk naar de kust in vrij ver gevorderde staat van ontbinding. Vermoedelijk ging het hier om opvarenden van het vlak daarvoor vergane schip “De Elbe”.

De Texelse Courant komt op 20 oktober 1895 met wat wetenswaardigheden over walvisstrandingen die ik hier volledig weergeef;

_ 5 October en de walvisschen. _ Op 5 October j.l. strandde, naar men weet, bij het dorp Callantsoog een vinvisch (kleine soort walvisch). Dit dier had een lengte van 22 a 23 Meter. Dank zij de goede zorgen van “Artis”, zal het geraamte van dit dier bewaard blijven. De datum, 5 October, zoo vinden wij opgemerkt, schijnt voor walvisschen noodlottig te zijn. Zoo strandde den 5en October 1862 een dezer dieren in de Bruintjes Kreek bij St. Philipsland (Zeeland) en op den 5en October 1631 was precies dezelfde plek als nu bij Callantsoog het tooneel van zulk een stranding. In een kroniek dier dagen wordt dit als volgt omschreven.

“1631. Den 5 Oktober, alhier op het strant van Kallantsooge een Walvis gestrant en aangespoelt (die Macrocephale genaamte wierde) omtrent het buizegat, hij was lang 68 voeten, hij spoog veel vet op het strant. Die hem kogte wiste de hersenen daar uit te halen, die al te malen als Honingraden aan melkander lagen, die hij rafineerde met eene lage van kalk gemaakt, en doe hadde hij de schoonste Sperina Ceti *, die men in de apotheek ken vinden, en kreeg daar zeer veel van &z.”

  • * Het spermaceti-orgaan is een orgaanin de kop van potvissen en aanverwanten (Physeter macrocephalus) dat de potvis zijn specifieke uiterlijk geeft. Het spermaceti-orgaan is gevuld met een witte, wasachtige substantie, spermaceti of walschot, waaraan het orgaan zijn naam dankt. Spermaceti-olie was vroeger een waardevol product. Er werden kaarsen, zeep, cosmetica en machineolie van gemaakt. Een volwassen walvis kan wel drie ton spermaceti-olie in zijn kop hebben.

De Alkmaarsche Courant komt op 25 oktober 1895 met het nieuws dat te Callantsoog de walvis is gesloopt en het geraamte over het duin is gebracht. Het slopen moet niet echt een plezierig werkje zijn geweest, al was het alleen al door de lucht van het ontbindende dier.

Door het kadaver regelmatig met verdunde carbol (ontsmettingsmiddel) te overgieten trachtte men dit ongemak te verminderen. Waar men eerst nog dacht honderden vaten nodig te hebben om het spek in te doen, bleken uiteindelijk 68 vaten voldoende. Wel had men nog zes vaten nodig voor de tong van het beest. Het vlees van het dier werd met grote haken en messen van de ribben getrokken en werd in zee gegooid.  Het bovengedeelte van de kop moest met niet minder dan vijf paarden naar de binnenduinkant worden gebracht. Het walvisspek blijkt aan iemand uit Alkmaar te zijn verkocht. Het gerucht gaat dat de walvis meer dan ƒ 1000,- heeft opgebracht.

Nieuws uitmelken is van iedere dag.

De correspondent van de Alkmaarsche Courant in Schoorl lijkt op 30 oktober 1895 ook nog een slaatje te willen slaan uit het walvisnieuws; _ Schoorl. Onze correspondent schrijft ons:

De walvisch te Callantsoog heeft reeds zooveel pennen in beweging gebracht en van zooveel kadavers dezer dieren, die voor en na op onze kusten aanspoelden, werd melding gemaakt, dat ik lust gevoel, het volgende mede te deelen, wat ik vermeld vond in het “Eerste deel der geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, in het fransch beschreven door den heer Jean le Clerc en in ’t nederduitsch vertaalt”, (uitgegeven T’Amsterdam, bij Zacharias Chatelain, Boekverkooper op den Dam. 1730)

“ ’t Verdient ook, om deszelfs zeldzaamheid, hoewel niet eigentlijk tot het wezen der Geschiedenissen behoorende, hier ook aangeteekent te worden, dat in Februarius van dit jaar (1598) in Holland op ’t strand, tussen Katwijk en Scheveningen, omtrent een gehugt Berkheij genoemt, een goote Visch of Walvisch is aangekomen, van die soort welke men Pots-Walvisch noemt. Deze visch zich aan den grond vindende, toen het water was afgeloopen, maakte zeer groot getier en misbaar. De Visschers sloegen kabels om hem henen, en bragten hem zoo allengskens nader op land, alwaar hij na verloop van eenige dagen stierf, en inwendig opbarstede, door zijn groot gewigt op ’t harde zand; zulks het bloed en smout hem tappelings uit den bek liep. Hij was lang 52 roeivoeten (70 Voet), zijne oogen stonden 15 voeten van zijnen muil. Vier voeten agter de oogen had hij eene vlimme, de muil had onder eenen bek uitstekende zeven voeten lang, maar geheel smal, daarin stonden 42 tanden, wit als ijvoor, elk uitstekende gelijk een groot henne eij, en de lange bek sloot in ’t gehemelte boven in zoo vele punten, die hard waren. Zijne staart was of breet dertien voeten; maar zijne dikte, mits hij in het zand lag, konde men niet weten.”

De Schager Courant sluit op donderdag 21 november 1895 de rij met publicaties over de stranding en de ‘sloop’ van de walvis.

Zij leggen financiële verantwoording af over de kosten die in voorgaande publicaties wel eens verschillend waren. De onderstaande opgave moet volgens de redactie gezien worden als ECHT.

Ontvangen door de strandvonder.

a.         Voor het geraamte     ƒ 400.-

            aan extra toelage       –    50.-

                                               ƒ 450.-

Af        de onkosten               –    68.-

                                               ƒ 382.-

b.         Voor 2525 ltr. traan   ƒ 360.825

Af        de onkosten               – 170. –  

                                               ƒ 182. 825

c. Van hen, die het dier

zijn komen zien

                                               ƒ 170,-

            TOTAAL                       ƒ 734. 825

  • De krantencitaten zijn de letterlijke weergave, zoals ze in de kranten zijn terug te vinden.

Geef een reactie