Koud van de Zuidscharwouderkermis thuiskomen. (6.)

Alkmaarsche Courant, 24 november 1936, pag. 7 en 8

Arrondissements-Rechtbank te Alkmaar

Het drama te Broek op Langendijk

Nog versch zal iedereen in het geheugen liggen die noodlottige kermisavond in Zuidscharwoude, aan het slot waarvan de 25-jarigen M.K. zijn opstandigheid met zijn leven moest bekoopen.

Het was in den avond van 21 September en geheel Zuidscharwoude was in een feestelijke stemming. Dit was ook het geval met een viertal jongelui waren n.l. door den briga- (dit moet een zetfout zijn) M.K., D.S., S.G. en D.K., allen woonachtig te Broek op Langendijk. Toen de kermisvreugde ten einde liep, d.w.z. tegen 2 uur, het vastgestelde sluitingsuur, werden door de rijks- en gemeentepolitie de verschillende café’s ontruimd. Hierbij had zich reeds het voorspel van het noodlottige gebeuren afgespeeld. Genoemde 4 jongelui waren n.l. door den brigadier-rijksveldwachter R.C. v.d. Bosch uit Broek op Langendijk, uit een café te Zuidscharwoude verwijderd en hierbij zouden reeds heftige woorden gevallen zijn.

In hun opgewondenheid had het viertal besloten wraak te nemen tegen deze, naar hun meening, onrechtvaardige verwijdering en zo togen zij omstreeks 3 uur in den nacht naar de woning van den rijksveldwachter van den Bosch. Voor de woning gekomen maakten zij een dusdanig misbaar dat van den Bosch, die reeds te bed lag, opstond en zich, na zich gekleed te hebben, naar buiten begaf. Het groepje jongelui tartte hem en begon toen te dreigen. Uit alles bleek da zij de bedoeling hadden nu eens goed met de brigadier af te rekenen. Toen dreigementen en een paar uitvallen met den klewang geen resultaat opgeleverd hadden, had v.d. Bosch zijn revolver getrokken en een paar waarschuwingsschoten in de lucht gelost.

Waar ook dit het gewenschte resultaat bleek te missen en het optreden van het viertal steeds dreigender en aggressiever bleek te worden, had de rijksveldwachter tenslotte een laaggericht schot gelost met de bedoeling een van zijn aanvallers in de beenen te treffen. Dit laatste schot had evenwel M.K. zoodanig getroffen, dat deze eenige oogenblikken later aan de gevolgen hiervan was overleden. De schrik, die dit gebeurde verspreid had, had veroorzaakt dat de aanvallers hun molestatiepogingen hadden opgegeven. In den loop van den nacht waren de 3 verzetplegers, n.l. D.S., S.G. en D.K. gearresteerd en later naar het Huis van bewaring te Alkmaar overgebracht. Als verdacht van openlijke geweldpleging tegen een ambtenaar in functie, stonden, in verband met deze gebeurtenis, heden de drie gearresteerden voor de Alkmaarsche rechtbank terecht.

Door den officier van justitie waren 11 getuigen à charge gedagvaard.

Reeds bij de opening van de deuren om 10 uur bleek wel dat er iets bijzonders aan de hand was. Behalve dat dit bleek uit een groote belangstelling van de zijde van de pers, was de publieke tribune overvol met belangstellenden, iets, wat in Alkmaar maar weinig voorkomt.

Om circa 11 uur werden de drie verdachten binnengeleid.

Na voorlezing van de dagvaarding door den officier van justitie, mr. van der Feen de Lille, richtte de president zich tot de verdachte D.S. en vroeg hem wat hij op de bewusten avond met zijn drie vrienden had uitgevoerd.

Pres.: “U was in verschillende café’s geweest?”

Verd.: “Ja”.

Pres.: “U had ongeveer 20 glazen bier gedronken?”

Verd.: “Ja, zoo ongeveer”.

Verd. S. verklaarde nog dat zij vrijwel den geheelen avond bij elkaar waren gebleven, ook in de verschillende café’s.

Verdachte gaf toe bij de woning v.d. Bosch te zijn geweest.

Pres.: “Had Kool zich niet uitgelaten v.d. Bosch te willen spreken?”

Verd. S.: “Niets van gehoord”.

Verd. gaf toe, tezamen met zijn vrienden lawaai gemaakt te hebben. Toen door een van hen was aangebeld, stond hij op ongeveer 25 meter voorbij de woning van v.d. Bosch.

De president vroeg S. Hierop hoe hij erover dacht dat Kool bij v.d. Bosch had aangebeld.

Verd. heeft v.d. Bosch uit de steeg van zijn woning zien komen. Toen de veldwachter op den weg was gekomen, was hij met G. en K. “de Zuid” ingeloopen. K. was “de Noord” ingegaan. De veldwachter was achter hen aangelopen, hen sommeerende naar huis te gaan.

Pres.: “En ben je toen ook naar huis gegaan?”

Verd.: “Neen, edelachtbare, Kool was nog niet bij ons en daarom wachtten we”.

Verd. had later ook hooren schieten, en was toen niet naar huis gegaan, omdat hij te nieuwsgierig was geworden.

Pres.: “Dus terwijl je wist dat je gesommeerd was de Zuid in te loopen, ben je toch terug gekomen, omdat je nieuwsgierig was waar Kool was! Niettegenstaande je schieten hoorde, ben je teruggekomen!”

Verdachte had Kool en v.d. Bosch voor de woning gezien, en had ook het slachtoffer zien vallen.

De officier wees verdachte erop dat hij voor den rechter-commissaris had verklaard tijdens het aanbellen van K. op 50 M. afstand te hebben gestaan. Thans verklaart S. op 25 M. afstand te hebben gestaan.

Op een vraag van den verdediger, mr. Langeveld, verklaarde S. dat hij gezien had, dat K. op het moment van het noodlottige schot, met de handen in de hoogte tegenover den veldwachter stond.

Vervolgens werd de schippersknecht G. verhoord. Ook aan dezen verdachte werd door den president gevraagd waarom hij naar het huis van v.d. Bosch was gegaan.

G. verklaarde ook niet te weten waarom K. bij v.d. Bosch had aangebeld.

Pres.: “Wat had je gedronken?”

Verd.: “Twee glaasjes bier”.

Verdachte zei dat hij ook bij S. heeft gestaan om op K. te wachten, aanvankelijk waren zij de Zuid ingeloopen doch later waren zij weer teruggekeerd.

Pres.: “Waarom heb je aan de sommatie niet voldaan?”

Verd.: “Omdat ik wilde weten wat er met Kool was”.

Verd. had wel gemerkt dat v.d. Bosch de klewang gebruikte.

Pres.: “Heb je gehoord dat Kool uitdagend voor het huis van v.d. Bosch geroepen heeft?”

Verd.: “Ja dat heb ik wel gehoord.”

Pres.: “Heb jij of K. een dreigende houding aangenomen tegenover v.d. Bosch?”

Verd.: “Nee edelachtbare”.

Verd. had wel gezien dat K. met de handen omhoog op v.d. Bosch was toegeloopen. Verdachte gaf toe een boksspijker aan een touw in den zak te hebben gehad. Hij had hiermede evenwel geen enkele kwade bedoeling.

Verd. D.K. verklaarde dat hij de herrie in het café van B. Kramer gehoord had. Hij had in totaal in de verschillende café’s 3 glazen bier gedronken. Verd. wist niets van wrok van K. tegenover v.d. Bosch.

Volgens verdachte was er niet van tevoren afgesproken naar de woning van v.d. Bosch te gaan. Verdachte had het erg gewaagd gevonden toen K.  aangebeld had aan diens woning. Hij was toen met S. en G. bij de woning van Balder, een 25 Meter verder, blijven wachten.

 Behalve van het trekken aan de bel had verd. K. niet gehoord dat K. gescholden en uitgedaagd zou hebben. V.d. Bosch had met de klewang naar hem geslagen, doch doordat verd. bukte waren de klappen op zijn fiets neergekomen. Tijdens de sommatie om door te loopen zou v.d. Bosch geroepen hebben: “Ik hier de baas en jullie niet”.

Verd. had gezien dat K. met de handen omhoog liep en op de sommatie van den brigadier zei: “Mijnheer ik loop toch”.

K. had, volgens verd. Kr., recht op geloopen met de handen in de hoogte.

Hij had toen er geschoten werd tegen K. geroepen: “Kom terug jô”, doch deze had hieraan geen gevolg gegeven.

Pres.: “Was je toen M.K. viel niet vlak bij de woning van v.d. Bosch?”

Verd. Kr.: “Nee, we waren bij een bruggetje op eenigen afstand.”

Alle drie de verdachten ontkennen grijpbewegingen gemaakt te hebben. Toen Krol den brigadier na het schieten in de lucht te spreken had gevraagd, had deze geantwoord: “Zie dat je wegkomt, anders schiet ik je dood”.

Wordt vervolgd.

Bronnen en illustraties; Regionaal Archief Alkmaar, Alkmaarsche Courant, Schager Courant, St. Langedijker Verleden en eigen collectie.

Reacties en aanvullingen; kunt u mailen naar schaduwrijklangedijk@gmail.com of via de reactiemodus op deze website.

Geef een reactie