MOORD TE SCHAGEN 11.

In deze serie volgen we het letterlijke krantenverslag over de moord te Schagen zoals die in de Alkmaarsche en Schager Courant verscheen.

In verband met het feit dat er een zoo groote waarschijnlijkheid bestaat, dat de bekl. een mededader moet gehad hebben, dat die waarschijnlijkheid nauwelijks van zekerheid is te onderscheiden, vraag ik “wie kan die mededader geweest zijn?” De beklaagde beweert dat hij alles alleen gedaan heeft en wil die vraag niet beantwoorden. Hij aanvaardt liever de geheele strafrechterlijke verantwoordelijkheid, eer hij erkent, wat tegenover de gebleken feiten niet te loochenen is. Maar indien geen zijner huisgenooten mede-dader is geweest, dan breng ik, ook in verband met hetgeen later door mij zal worden te berde gebracht een ander individu voor het voetlicht, ook een der personen, die in het helsche drama een hoofdrol hebben gespeeld. Het is een knaap, nog jonger dan de beklaagde, de toen 16-jarige Jan Oudshoorn. Welk een snood individu! Hij zelf erkent:

I. dat drie weken vóór de moorden, de beschuldigde hem heeft medegedeeld dat hij de Wed. Bute en Anna Beijers wilde vermoorden om geld machtig te worden, dat hij noodig had om ƒ 6.- schuld te betalen en te Alkmaar kermis te houden.

II. dat de beschuldigde hem heeft voorgesteld om met hem mede te doen en die vrouwen met een touw te wurgen;

III. dat hij den beschuldigde niet gezegd heeft “dat hij die moorden niet zou doen”;

IV. dat de beklaagde gedurende drie weken voorafgaande aan de moorden, bijna dagelijks met hem over de moorden heeft gesproken;

V. dat hij bekend was met de drie pogingen tot vergiftiging van de beide vrouwen, door den beschuldigde gedaan; ook met de valsche handteekening van vrouw Roggeveen op het briefje aan den apotheker, waarbij een slaapdrank werd gevraagd;

VI. dat hij bij de laatste poging tot vergiftiging met zuringzout, tot den beschuldigde ’s morgens na den aanslag op het leven dier vrouwen en doelende op vrouw Bute, heeft gezegd: “daar loopt ze nog;”

VII. dat de beschuldigde hem in vertrouwen verteld heeft dat hij in de taartjes loodwit had gewerkt en dat hij die bestemd had voor de Wed. Bute en Anna Beijers;

VIII. dat de beschuldigde hem heeft medegedeeld, dat hij bij de Wed. Dorbeck snuit had gekocht, om daarmede de Wed. Bute en Anna Beijers in de oogen te werpen en te verblinden en haar dan te wurgen met een touw;

IX. dat de beschuldigde hem vóórdat de vrouwen vermoord zijn, heeft gesproken over de bijl, die achter stond en over het lange mes dat in den winkel lag;

X. dat hij ’s morgens, na den moord tot 101/2uur, den beschuldigde gesproken heeft en van dezen een muntbiljet van ƒ 10.- ontvangen, wetende dat dit geld door misdaad verkregen was;

XI. dat hij door aanneming van dit geld, de voorwaarde, waaronder het door den beklaagde gegeven werd, aangenomen heeft, n.l. “dat hij zich stil zoude houden”;

XII. dat de bekl. hem van te voren beloofd had “dat hij er ook wat van zou krijgen”;

XIII. dat hij ’s morgens na de moorden, toen hij den bekl. sprak, hem dadelijk gevraagd heeft: “Hoeveel geld heb je zoo wat?”

XIV. dat de bekl. hem toen ook medegedeeld heeft, dat hij het geld had verstopt in het steegje van Blauw en dat hij ook een ketting met gouden slot en lepeltjes had gestolen;

XV. dat hij ’s middags te 5 uren van diezelfden Zondag weder een gesprek met den bekl. gehad heeft, waarbij deze hem de gruweldaden in bijzonderheden heeft medegedeeld;

XVI. dat hij geweten heeft van de ketting, dat de bekl. die zou werpen op het erf van Alot, en dat toen deze dit gedaan had, hij het hem den volgenden morgen heeft gezegd.

Volgens zijn eigen erkentenis, zijn dus de misdaden door den beklaagde geschied in overleg met zijn vriend Jan Oudshoorn die alles van te voren heeft geweten en, na de misdaden, met alle bijzonderheden bekend was. Eén woord van hem had de misdaden kunnen voorkomen  . . . . en hij zwijgt. En nà de misdaden verzwijgt hij nog het verschrikkelijke geheim. En de beschuldigde zegt nog meer: Hij zegt, dat Jan Oudshoorn, met hem den winkel van de wed. Beute voorbijgaande, terwijl de vrouw aan hare uitstalling bezig was en voorover gebogen stond, tot hem zeide: “Kijk eens, wat een dun nekje!”

Is deze de onhandige en onbedreven moordenaar geweest, met wie Anna heeft geworsteld en die met dat kromgebogen mes haar de keel niet kon afsnijden? De beklaagde ontkent ook het mededaderschap van dezen Jan Oudshoorn en hoewel alles er op wijst, dat hij den moord op Anna Beijers niet alleen heeft gepleegd, aanvaardt hij voor zich de volle strafrechtelijke verantwoordelijkheid van al deze verschrikkelijke misdaden. Maar dan rust op mij als verdediger de verplichting om erop te wijzen, dat zijne bekentenis, als men althans al die tastbare leugens een bekentenis wil noemen, geheel op zich zelve staat en door geene aanwijzing of omstandigheden wordt bevestigd. Hij is dien nacht in het huis van de wed. Bute geweest, hij heeft die weduwe vermoord, concedo, dat is alles waar, maar daaruit vloeit niet voort dat het wettelijk bewijs is geleverd, ondanks zijn bekentenis, dat hij ook het meisje heeft vermoord. En evenmin is rechtens het bewijs geleverd dat hij schuldig is aan de brandstichting, want tot dat bewijs kan men niet anders komen dan door aan te nemen, dat hij alleen en niemand anders dien nacht in dat huis is geweest. En nu zegge men niet, dat dit blijkt uit het feit, dat hij niemand als mededader aanwijst en dat hij zich zelven van dien moord en die brandstichting niet anders kan disculpeereen, dan door den dader of mededader aan te wijzen, want door op zoodanige wijze het wettelijk bewijs te willen leveren, bedient men zich alleen en uitsluitend van de bekentenis van een beklaagde die liegt, die altijd gelogen heeft en altijd zal liegen, omdat hij een gedésorganiseerd wezen is. Zóó door en door bedorven, met een gemoed, dat zóó overloopt van boosheid, dat zijn verstand wordt omneveld door zijn geaardheid, die aangetrokken wordt door alles wat kwaad is en afgestooten door het goede. Gelukkig mogen wij den tijd waarin wij leven, noemen, nu niet slechts de misdaad maar ook de persoon van den misdadiger van den misdadiger tot een voorwerp van onderzoek wordt gemaakt. Het is nog maar een spanne tijds, nog geen honderd jaar geleden, dat men er nog niet het flauwste begrip van had, dat een misdadiger krankzinnig kon zijn en dat de misdaad een der verschijnselen van bepaalde krankzinnigheidsvormen kon opleveren, dat was de tijd der ruwheid van zeden, van barbaarse straffen, de bloeitijd van de afschrikkings- en vergeldingstheorie. Dat was de tijd toen de beklaagde zijn misdaden had moeten boeten op een schavot, waar hij, na de ijselijkste martelingen, lid voor lid en bloed voor vloed zijn leven had moeten geven, waar hij met stukgeslagen beenderen, gekorven en gesneden, en wegkrimpende in het verschrikkelijkste lijden, toch nog het oogenblik had gezegend, waarop de beul hem met de ijzeren koevoet den genadeslag op het hart zou geven. Toen maakte men geen onderscheid tusschen misdadigers en krankzinnigen en de hemel weet hoeveel duizende en tienduizende ongelukkige krankzinnigen toen in de uitgezochste martelingen, onder beulshanden zijn bezweken. Maar na het daemonium der Fransche revolutie, brak een andere en betere tijd aan. Naast de afschrikking en de vergelding, ontstond er een drang naar verbetering van den misdadiger. De doodstraf werd al schaarscher en schaarscher toegepast, totdat zij eindelijk – eere zij het Nederlandsche volk – voor goed in Nederland werd afgeschaft. De afschrikking en de vergelding weken meer en meer op den achtergornd en men legde zich, gedreven door de edelste en mees humane gevoelens, op de verbetering van den misdadiger. Toch is gebleken, dat er naturen en karakters bestaan, die voor geen verbetering vatbaar zijn, en de wetenschappen van de crimineele anthropologie en de gerechtelijke psychiatrie, hebben aangewezen dat dit zoo moet zijn en niet anders kan.

De voortreffelijkste woordvoerders dier wetenschappen, het spoor der ijdele  bespiegeling verlatende, maar langs empirischen weg feiten verzamelende, cijfers groepeerende, verschijnselen ontledende, hulpwetenschappen aanwendende, nieuwe waarheden voegende bij de reeds verkregenen – hebben onomstootbaar, onaantastbaar en onwederlegbaar aangetoond, dat er misdadigers zijn, die aangelegd zijn tot de misdaad, van wie niet anders dan misdaad te verwachten is, die steeds onderhevig zijn aan een drang naa het misdadige, zonder het vermogen te hebben daaraan weerstand te bieden. Dat is een delinquente nato van den Turijnschen hoogleeraar Caesare Lombroso, de mensch met moreele defecten geboren, perverse in al zijn beschouwingen, gedachten en daden, “ein Widerspruch gegen die  Menschheit”, de laatste schakel van den langen keten, die aanvangt bij de decadenten, gedéséquilibreerden, gedegenereerden en minderwaardigen en zich uitstrekt van de “sana mens” tot de uiterste grenzen der krankzinnigheid, de razernij en het delirium. De wetenschap erkent “de geboren misdadiger” en het gaat niet langer aan voor hare aanspraken de deuren der rechtszalen te sluiten. Die wetenschap heeft hare leerstoelen aan de akademiën van alle beschaafde volken, ook in ons land, en de Utrechtsche hoogleeraar Dr. C. Winkler en de Privaat-Docent Dr. G. Jelgersma aan de Universiteit te Amsterdam, hebben met alle psychiaters, die zelfstandig onderzoek aan een onbevangen oordeel paren, als een vaststaand feit aangenomen, dat de misdadig geborene – men zou kunnen spreken van “la ête humaine” – inderdaad bestaat.

Lombroso overdreef toen hij zijn leer verkondigde van de atavistische natuur van den misdadiger en niet minder toen hij zijn misdadiger-type trachtte te construeeren, toen hij beweerde dat de misdadig-geborene zich liet diagnosticeeren door zeekere uitwendige kenteekenen, die hij meende te kunnen aangeven. Die misdadiger-type is nog op verre na niet vastgesteld, hoewel men er niet aan twijfelt dat er uitwendige kenmerken bij den delinquente nato moeten bestaan, die hoewel thans nog niet bekend, toch eindelijk domein der wetenschap zullen worden.

Toch erkent de wetenschap ettelijke verschijnselen, die niet ieder op zich zelf maar te zamen en in onderling verband er op wijzen. Ik wijs u op de voordracht over “de misdaad, voorwerp van wetenschap” door Prof. G.A. van Hamel te Amsterdam gehouden, waarvan het resumé te vinden is in het Weekblad van het Recht No. 6457. Op het gezag van de grootste psychiaters wijst Prof. van Hamel op de volgende verschijnselen:

1o. Een groote mate van zorgeloosheid, in het verrichten van de misdaad.

Was dit ook niet bij de beklaagde het geval? Hij vermoordt de wed. Beute, terwijl men zijn onmenschelijke daad van de straatzijde gemakkelijk had kunnen waarnemen, wanneer toevallig iemand voorbij hare woning was geloopen en op dezelfde wijze als de wed Slik voor den winkel was blijven staan, al ware het om naar de uitstalling te kijken; Hij pleegt de misdaden op den meest ongeschikten tijd, ’s avonds te elf uren, het sluitngsuur der herbergen, op welken tijd er vele menschen op straat loopen, die iets vroeger of later doodsch en verlaten is.

2o. IJdelheid;

Daarvan kan de Heer Rechter-Commissaris belast met de instructie van Strafzaken gewagen. Als de beklaagde in het verhoor is, staat er een menigte menschen buiten, die trachten hem te zien. De beklaagde bemerkt dit nauwelijks of ongemerkt treedt hij dichter bij de vensters om te poseeren voor het publiek en vindt zichzelven even interessant als Erostratus, nadat hij den tempel van Diana te Ephese in brand had gestoken. Hij is bijzonder trotsch op zijn handteekening in Oud-Hollandschen stijl. Opde keerzijde van den brief, waarin zijn zuster hem in de gevangenis het overlijden van zijn moeder meldt, plaatst hij ontelbare malen zijn handteekening.

3o. Zij beroemen zich op hunne misdaad en toonen een groot cynisme en geen spoor van berouw.

Dat deed de beklaagde toen hij tot de bevangenbewaarder, getuige Snoeks, zeide, wijzende op zijn koperen nummerplaat: “dat is mijn eereteeken, dat heb ik eerlijk verdiend, met koppensnijden te Schagen.”

4o. Zij toonen groot gemis aan medelijden voor hunne slachtoffers.

Het blijkt dat ook de beklaagde dat medelijden niet kent, want toen de gevangenbewaarder Snoeks hem zeide: “ge mocht wel voor vijfhonderd gulden willen, dat die beide vrouwen nog leefden” antwoordde hij: “och ze mochten van mijn part wel leven, als het mij geen cent kostte.”

5o. Bij den delinquente nato komt tetoeäge op sommige plaatsen van het lichaam veelvuldig voor.

Is het niet merkwaardig dat deze meubelmakersleerling, die toen hij gearresteerd werd, nog maar 17 jaren oud was, verklaard heeft, dat hij reeds getracht heeft om zich op zijn hand te tatoeeeren. Het lijdt geen twijfel of hij zou dit werkelijk gedaan hebben, wanneer hij in vrijheid was gelaten.

En bij dit alles behoort men het feit te voegen dat hij deel uitmaakt van een familie, waarin vele exemplaren voorkomen van dégénérès en menschen van inferieure organisatie, van gedesèquilibreerde en minderwaardige personen. Zijn moeder om er maar niet meer van te zeggen, snijdt zich in een hevige “raptus melancholicus” de keel af. Zijn vader verkeert in een geestestoestand, die het midden houdt tusschen “stupiditas en imbecilitas.” Zijn 16jarig broertje schijnt meer aan de grens van het idiotisme te staan. Zelfmoordenaars, imbecielen en idioten, behooren allen tot de stam van de groote neuroosen, die men in de taal der wetenschap noemt “degeneratieve psychosen”, waarvan Dr. C. Winkler in zijn rede bij de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt aan de Rijks-Universiteit te Utrecht zegt: “Daar staat de door een auto-suggestie extatische en zich dan opofferende, de zich opschikkende hysterica, die hare fantaisieën waarheid acht en confabuleerend te goeder trouw liegt en bedriegt; met hare crisen en hare onberekenbare persoonlijkheid, die grillig in sympathiën of antipathiën zich steeds tusschen de uitersten beweegt. Daar staat de alles tot morgen uitstellende neurasthenicus, die nooit zijn gedachten op één punt concentreert, met zijn angst gevoelens en dwangvoorstellingen, met zijn geslachtelijke perversiteiten en zijn altijd durende loomheid. Daar staat de steeds zichzelf beschouwende hypochondriacus, die de waarnemingen aan het eigen lichaam verricht, al te spoedig in waanvoorstellingen omzet. Daar staat de inpulsief handelende epilepticus met zijn drift, zijn woede en zijn prikkelbaarheid, zijn neiging tot mystiek, zijn Ethische defecten en zijn indolentie. Allen tref men daar aan in geleidelijken overgang tot den stellig krankzinnige, die zich uit deze invalide recruteerde. Zij zijn in de invalide families met hun moreele defecten en hun deugden niet anders dan schakels, een lange hereditaire keten. Maar niet alleen de groote neurosen, die de psychiater voortaan psychosen heeft genoemd en wel degeneratieve psychosen, heeft hij in zulke stamboomen gezien. Met hen waren broederlijk aaneengeketend door dezelfden hereditairen band der degeneratie, de idioot en de imbeciel, de doofstomme en de exentriek, de alcoholist, de morphinist en de suicidist, de prostitué, de geboren misdadiger, de politiek agitator en het genie.”

En uit die ouders, een zelfmoordenares en een imbeciele man, is de beklaagde voortgekomen. Die afkomst, gevoegd bij den gedesorganiseerden geestestoestand van den beklaagde, maken het minst genomen zeer waarschijnlijk dat Nicolaas Boes is een “delinquente nato” een geboren misdadiger, een lijder aan insania morales, een individu, dat van zijn geboorte af voorbeschikt is om misdadiger te worden. Een mijner kennissen, de vroegere geneesheer in het Krankzinnigengesticht te Utrecht, de bekende psychiater Dr. Timmer, thans te Haarlem, sprak als zijn oordeel uit, nadat hij van de door mij gedeelde feiten had kennis genomen: “die jongen is buiten twijfel zeer zwaar belast; hij staat niet, zooals gij tenonrechte zegt, aan de grens der krankzinnigheid, maar hij is krankzinnig.”

De crimineele anthropologie wijst ook nog op enkele defecten aan het lichaam die dégénératiekenmerken kunnen zijn. Zij wijst op den abnormalen vorm der oorschelpen en de zoogenaamde “fossa occopitalis”, een holle gleuf, die de uitstekende beenkam aan het achterhoofd, dikwijls bij den lijder aan insania moralis vervangt.

Dit alles wordt door mij aangevoerd:

1o. om aan te toonen dat er inderdaad waarschijnlijkheid bestaat, dat de beklaagde is een erfelijk belaste, een geboren misdadiger, een lijder aan insania moralis, een krankzinnige en alzoo volgens de wet niet toerekenbaar;

2o. dat zijn gedragingen, zijn gesprekken, de uiting van zijn gedachten, zijn handelingen en daden, den rechter genoegzame gronden opleveren om een onderzoek te gelasten van wetenschappelijke mannen, van psychiaters en beoefenaren der crimineele anthropologie, over de vraag of de moordenaar van Schagen, de jongen, wiens handen hebben gedropen van bloed, de jongen zonder geweten, zonder berouw, zonder medelijden, die schertst met de vreeselijke misdaden, door hem begaan, wiens gemoed vervuld is met leugen en huichelarij en overvloeit van boosheid, – al of niet is een krankzinnige en alzoo al of niet toerekenbaar. Dat gebied niet alleen de humaniteit, maar ik acht dit plicht tegenover de maatschappij en bescherming harer leden tegen den zeden-verpestenden invloed die genius van dezen jongen, die een man is in de boosheid, zal uitgaan, wanneer na vijf jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, in contact komt met andere misdadigers, die later weder in de maatschappij kunnen verschijnen. Het contagium dat van den geboren misdadiger uitgaat, is inderdaad in staat om gelegenheidsmisdadigers te kweeken, die misdaden kunnen plegen, die in énormiteit die, welke door den beklaagde gepleegd zijn, kunnen evenaren. Wel zegt artikel 70 van het K.B. van 31 Augustus 1886 Stbl. no. 159, dat een levenslang veroordeelde, na vijf jaren van zijn straf in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, niet met andere gevangenen in aanraking zal komen, doch allerlei omsandigheden kunnen die bepaling ijdel maken. – Zoo kunnen levenslang veroordeelden gratie van hun verderen straf bekomen, maar ook kan dit geval zich voordoen, dat er geen andere levenslang veroordeelden zijn en men hem dus wel bij andere misdadigers zou moeten laten.

En toch kan ik mij begrijpen, dat een rechter bij ons te lande de grootste bezwaren ziet in een ontoerekenbaar verklaring van een beschuldigde op grond van insania moralis, zelfs wanneer het bestaan daarvan wetenschappelijk zou zijn aangetoond. In dat geval toch zou de beschuldigde uit handen van justitie geraken en, door zijne opneming in het Rijkskrankzinnigen Besticht, naar binnenlandsche zaken overgaan. Dit is in Frankrijk anders, daar heeft men de asyle-prison, waarin krankzinnige misdadigers worden opgenomen. Toch mag de regeling bij ons te lande van deze materie, die geen gelijke tred heeft gehouden met de vorderingen der psychiatrie voor den rechter geen reden zijn om vonnissen te wijzen in strijd met de stellige uitkomsten dier wetenschap.

Door een onderzoek van deskundigen te gelasten, hetzij de rechter het daarvan uit te brengen rapport al of niet overneemt, wordt in elk geval de kans benomen, dat een krankzinnige knaap een gedesorganiseerd mensch, tot levenslange gevangenisstraf zou worden veroordeeld. Maar indien de Rechtbank mocht meenen, dat er geen termen bestaan om een zoodanig onderzoek te gelasten of wanneer benoemde deskundigen mochten rapporteeren dat Nicolaas Boes niet is een geboren misdadiger maar eenvoudig een gelegenheids-misdadiger, dan sta ik inderdaad verlegen om mijn verdediging nog verder uit te strekken. Want als het waar is, dat deze knaap zijne misdadige gedachten en neigingen had kunnen onderdrukken, indien hij dus niet is een gedesorganiseerd wezen en indien hij gehandeld heeft, niet anders gedreven dan door satanische boosheid, die hij had kunnen weerstaan, dan is van mij als zijn verdediger niet te vergen dat ik in dat geval voor een booswicht, zooals door het menschengeslacht zelden wordt voortgebracht, verzachtende omstandigheden aanvoer. Ik wil die woorden niet noemen en in dit geval voor den beklaagde geen enkel verzoek aan uwe Rechtbank doen, maar u toch wijzen op twee omstandigheden, die den bodem, waarop later de misdaad in het gemoed van dezen beklaagde zou groeien, vruchtbaar hebben gemaakt. En dan noem ik in de eerste plaats de door en door slechte boeken, die hij niet slechts gelezen, neen maar verslonden heeft, boeken, die van niets anders handelen dan van moorden, koelbloedig volvoerd, vergiftigingen met helsch overleg gepleegd, valsche beschuldigingen, tegen onschuldige personen ondernomen, met misdadig overleg en koel berekenende wreedheid, – boeken zooals: “Onschuldig veroordeeld” van Henri Falkenriedt en “het Gevloekte Geheim”, boeken die niet anders zijn dan de vuile uitwassen der Duitsche pers, boeken die niet eens in de den handel schijnen te zijn, maar in elke stad, in elk dorp, worden gecolporteerd tegen tien cents de aflevering, – boeken die door het leeslustige publiek met graagte verslonden worden. De beklaagde zelf heeft bij zijne verhooren erkend, dat de gedachte aan de vreeselijke door hem bedreven misdaden bij hem is opgekomen bij de lezing van die zeden-verpestende schelmenromans. Maar er is nog een andere omstandigheid waarop ik de Rechtbank wenscht te wijzen.

U doem ik op uit het graf, gij moeder van dezen beklaagde en uw schim plaats ik vlak voor hem, die daar van God en de menschen verlaten, op de bank der beschuldigde gezeten is. – En ik plaats naast die schim zijner moeder zijn vader en dan zeg ik tot die beiden, namens de beschuldigde: “Ziet Vader en Moeder, wat gij van uw kind gemaakt hebt, – nooit hebt gij mij de paden der deugd gewezen; steeds werd de ondeugd vergoelijkend voorgesteld en nooit hebt gij mij in de jaren mijner kindsheid afschuw ingeboezemd van het kwade en nooit hebt gij mij de aantrekkelijkheid van alles wat goed is, leeren kennen. Daar sta ik thans voor u me die ontzaglijke bloedschuld op mijn geweten en sta misschien gereed door eene veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf, levend in een graf gesloten. Dat is uw schuld, dat is Uw werk, dat hebt gij gedaan. – En wat ik hier zeg, is niet een klacht maar een aanklacht, die ik U in het gelaat slinger. – Het is uw schuld, dat zoolang als in het beitelharde mamer van het schoone monument, dat zich op het kerkhof te Schagen op het graf van de Wed. Bute en Anna Beijers verheft, de namen dier vrouwen zullen gegrift staan de naam van Nicolaas Boes niet anders dan met huivering en afschuw zal worden genoemd,” als een der grootste booswichten die het zonlicht ooit hebben aanschouwd.

Ik zeg u vader, moeder . . . . . dat alles is uw schuld.

Maar tot mijne rechters zeg ik, wijzende op deze mijne ouders: “waren zij beter geweest, dan was ik niet geworden de moordenaar van Schagen. Wellicht kunnen deze omstandigheden, in het geval van toerekenbaarheid, van invloed zijn bij den rechter in het beoordelen der zwaarte van zijne misdaden.

Alkmaarsche Courant 16 januari 1895, pag. 2

_ Schagen. Den 12 werd Jan Oudshoorn, die bekend was met den moord, door Boes bedreven en een muntbiljet van ƒ 10 van hem had ontvangen, onder politiegeleide naar Alkmaar gebracht.

Wordt vervolgd.

Geef een reactie