Ontstaansgeschiedenis Geestmerambacht en het Oosterdelgebied (deel 1)

Goede voornemens

Toen het Oosterdelgebied in 1980 onder beheer van Staatsbosbeheer kwam was het Staatsbosbeheer die de landschappelijke functie als belangrijkste zag. Wel vond men die functie nauw samenhangen met de ‘museale’ functie. Hoe beter en gaver het oude cultuurlandschap behouden zou blijven, des te beter zouden beide functies tot hun recht komen. Tevens zag men plek voor de recreatieve functie. Er waren op het moment dat Stichting Veldzorg het beheer in 2005 op zich nam aan het Oosterdel door Staatsbosbeheer meer eilanden voor de recreatie ingericht. Deze heeft Veldzorg echter aan de recreatieve functie ontnomen.

De invloed van de mens op het Oosterdelgebied is altijd heel groot geweest, want mensen ontleenden hun bestaansrecht aan de opbrengsten van dit gebied. 

Staatsbosbeheer werd eigenaar 

Als het Oosterdelgebied in 1980 onder het beheer van Staatsbosbeheer komt dan is er nauwelijks nog sprake van commerciële tuinbouw. Tenminste dat blijkt de opvatting van Staatsbosbeheer te zijn en in die zin hebben ze hun pachters ook altijd gezien als mensen die het deden als hobby of als bijverdienste. Als je als beheerder je pachters al niet serieus neemt dan kunt u zich wel voorstellen dat er nimmer sprake is geweest van een goede relatie. Het feit dat Staatsbosbeheer in het gebied de agrarische, recreatieve en natuurfunctie wilde combineren leidde al snel tot conflicten met de tuinders. Door deze natuurfunctie kregen de tuinders te maken met schades van wildoverlast en overlast van onkruid. Nauwkeurige afstemming van de functies die Staatsbosbeheer voor het gebied voorzag zijn nooit in overleg met de tuinders gegaan. Als dit wel zo zou zijn geweest dan zou er mogelijk sprake zijn geweest van een goede relatie tussen beiden. Staatsbosbeheer heeft dit hier nooit van de grond gekregen en met Veldzorg is van hetzelfde laken een pak. Zo krijgen de huidige huurders af en toe een uitnodiging voor een huurdersbijeenkomst waarbij de voorzitter met veel “uh, uh uh” het woord voert, maar hebben huurders geen inbreng. Dit terwijl er in het beheerplan 2004 – 2014 duidelijk sprake was van; “De Pachtersvereniging zal de beheerders bundelen die geen beroepstuinder zijn. De vereniging maakt collectief afspraken voor het onderhoud en beheer van de gepachte percelen en treedt op als woordvoerder naar de verpachter. De vereniging is aanspreekpunt voor nieuwe pachters en houdt samen met anderen de invulling van het beheerplan in de gaten.”

Degene die in de AReNa-werkgroep voor dit initiatief het voortouw zou nemen is, waarschijnlijk teleurgesteld, uit Langedijk vertrokken. 

Van kennis over het gebied is bij het huidige bestuur in ieder geval geen sprake. Gehoord de inspraak bij de gemeenteraad van Heerhugowaard is hun voorzitter in de overtuiging dat het gebied 850 jaar geleden is opgeleverd, zoals het vandaag de dag nog is. Of zoals hij het toelichtte; “Helaas heeft het cultuurlandschap de Oosterdel geen status als cultureel erfgoed. Dat neemt niet weg dat het gebied wel degelijk een cultureel erfgoed is waar we bijzonder zuinig op dienen te zijn. 850 jaar geleden aangelegd en nog steeds in de staat zoals het 850 jaar geleden is gemaakt.”

Fran Lebowitz zou hierop zeggen; “Denk voor je spreekt, lees voor je denkt.”

Studies naar ontstaan van veen in West-Friesland

Nu is het wel zo dat er weinig geschreven stukken bestaan over de periode dat in Westflinge (West-Friesland) in de tiende eeuw werd begonnen met de veenontginningen. Sterker nog; er zijn verschillende meningen over het ontstaan en ook over het feit of er wel of geen veen heeft gelegen.

Allereerst daarom maar in het kort iets over het ontstaan van veen. Veen is een grondsoort die bestaat uit niet-verteerde dode planten. Het ontstaat in natte gebieden waar plantenresten zich ophopen onder water en waar micro-organismen ze wegens zuurstofgebrek niet kunnen afbreken. Veenvormende plantensoorten zijn bijvoorbeeld mos, riet, wollegras, zegge en heide en ook kleine bomen zoals berken en elzen. Veen kan in allerlei types worden verdeeld aan de hand van de botanische samenstelling, de aard van de ondergrond of de vorm. Een veenlaag kan na jaren zo dik worden dat plantenwortels het grondwater niet meer kunnen bereiken. Dan kan er alleen nog veenmos groeien, een plantensoort die niet afhankelijk is van grondwater maar die het regenater opvangt en vasthoudt. Veenmosveen kan enorme koepels vormen met een diameter van meerdere kilometers en een hoogte van enkele meters boven het omliggende gebied.

Om een veengebied geschikt te maken voor akkerbouw moet de grondwaterspiegel verlaagd worden.  Het water moet uit het veen weg en er niet meer in terugstromen. Een veenmoskoepel of veen dat tegen een natuurlijke helling lag, zoals rond de Vronen, was relatief eenvoudig aan te pakken. Als we de bewoning van de dorpen aan de Langedijk in die opvatting laten meewegen dan zal duidelijk zijn dat het veen ten oosten van Noord- en Zuid-Scharwoude een andere samenstelling moet hebben gehad als het veen in Oudkarspel en Broek op Langedijk. Het veen achter Noord- en Zuid-Scharwoude zal veel gevarieerder van samenstelling zijn geweest. De plaatsnamen geven ook al aan dat er sprake van bomen groei moet zijn geweest. Om dergelijke venen te kunnen ontginnen moesten bomen en struiken eerst verbrand worden. (1)

Veen of geen veen?

De opvatting, dat de bewoning in ons gebied bepaald werd door het wisselende gedrag van de zee, dat werd veroorzaakt door perioden van overstroming door de zee en de terugval van die zee heeft tot in de jaren 70 en 80 van de twintigste eeuw bestaan. Dit werd ook wel de zogenaamde transgressie en regressiefasen genoemd. (2)Ook Heslinga (3)ging ervanuit dat de strijd tegen het water onverbrekelijk verbonden is met de bewoningsgeschiedenis van het kustgebied. In tegenstelling tot het onderzoek in het verleden heeft men tegenwoordig het idee laten varen dat de strijd tegen het water door de bewoners niet zozeer was gericht op het buitenwater, maar zij richtten hun onderzoek op het binnenwater, het water in de polders. De binnenwaterproblematiek speelde een grote rol in het westelijke deel van West-Friesland en zeker in het Geestmerambacht van voor de verkaveling. Beenakker (4)kwam na archiefonderzoek tot de conclusie dat de inwoners van dit deel van het Noorderkwartier zowel voor als na de invoering van de bemaling met behulp van windwatermolens voortdurend gedwongen waren op zoek te gaan naar nieuwe, beter functionerende uitwateringspunten. Lange tijd is aangenomen dat West-Friesland altijd een kleigebied is geweest volgens Pons en Wiggers (5); De Cock. (6)

Het was Edelman (1958) echter die op grond van sedimentologische en archeologische gegevens en onderzoek naar de mate van zeespiegelrijzing veronderstelde dat West-Friesland in de middeleeuwen geheel met veen was bedekt. In 1974 heeft hij die zienswijze verder onderbouwd en aangescherpt, wat niet door iedereen voor waar werd aangenomen.

Vandaag de dag is men er toch wel van overtuigd dat heel West-Friesland toch onder een behoorlijke dikke deken van veen moet hebben gelegen, zo ook het Geestmerambacht.

De ontginningen in Langedijk

Ten noordoosten van de Allemanskerk in Oudkarspel zijn in de grond daliegaten aangetroffen. In (voormalige) veengebieden werd klei gewonnen uit diepe gaten, die door de veenlaag heen tot in de onderliggende klei werden gegraven. De kalkrijke zavel en klei werd gebruikt voor dijkbouw, baksteenfabricage en vooral voor het verbeteren van de venige gronden om graan- en hennepteelt mogelijk te maken. De putten hebben een doorsnee van twee à vijf meter. De daliegaten stammen uit de periode van de tiende tot de negentiende eeuw. Als het oppervlak niet is geëgaliseerd liggen ze over het algemeen 20 à 50 cm diep. Na de kleiwinning werden de gaten volgestort met venig materiaal uit de omgeving. De moerige opvulling van de gaten zakt sneller dan de omgeving, waardoor de daliegaten na enige tijd als kleine ronde ‘depressies’ het landschap zichtbaar worden. Veel daliegaten verdwijnen door egalisatie ten behoeve van de landbouw. 

De eerste ontginningen in Langedijk en omgeving hebben vermoedelijk eind tiende of begin elfde eeuw plaatsgevonden. De allereerste veenontginningen richting Langedijk hebben waarschijnlijk plaats gevonden vanaf de duinen tot aan De Rekere (huidige Noordhollandskanaal). Deze veenontginningen moeten in het Geestmerambacht in de elfde eeuw zijn begonnen. De tiende eeuw staat te boek als een gort droge eeuw waardoor het veen enorm indroogde. Dit kan het veen in het Geestmerambacht toegankelijker hebben gemaakt om te ontginnen. (7)

Vanaf De Rekere is men verder opgetrokken richting Langedijk. In het ontginningspatroon ten westen van Langedijk zijn een drietal dwarssloten op de afwateringsgeulen waar te nemen. Deze afwateringsgeulen werden gegraven vanaf De Rekere in oostwaartse richting het veen in. Op redelijke vaste afstanden, lengten van de geulen werd een dwarssloot aangelegd. Deze dwarssloot had als functie dat het water uit het nog te ontginnen en hoger gelegen veen niet over de ontgonnen percelen zou stromen. Vanaf de dwarssloot groef men oostelijk verder het veen in. Al doende ontstonden er evenwijdig van elkaar en op bijna gelijke afstand van elkaar de drie eerdergenoemde dwarssloten. De eerste, gezien vanuit het westen, is de Zomersloot. In de Diepsmeer, welke gelegen was ter hoogte van de Zomersloot heeft men veel middeleeuwse scherven gevonden. Hetgeen op mogelijke bewoning wijst.

De tweede dwarssloot in het profiel is de Winterweg. De derde dwarssloot en daarmee de vierde fase van ontginning is de Burgsloot. (8)

  1. Nieuwenhuizen 2017, p.p. 119-128
  2. Beenakker 1987, pp. 212-224
  3. 1983, pp. 121-128
  4. 1988, pp. 1
  5. 1959/1960
  6. 1965, pp. 18 en 22
  7. H.A. Heidinga, Indications of severe drought during the 10thcentury AD from an inland dune area in the central Netherlands, in: Geologie en Mijnbouw 63 (1984) 241-248
  8. Henk Komen 2001, pp. 58-59

(wordt vervolgd.)

Geef een reactie