Ontstaansgeschiedenis Geestmerambacht en het Oosterdelgebied (deel 3, slot)

Strijd tegen het water.

Aan de oostkant van de vier dorpen van de Langedijk wordt de Oosterdijk aangelegd. Deze dijk wordt voor het eerst genoemd in een akte van 21 juli 1388 en zal de afwatering naar de Heerhugowaard niet hebben vergemakkelijkt. Uit een akte van het Hof van Holland en een rekening van 1 juli 1532 blijkt dat de Oosterdijk is vernieuwd en versterkt. In 1534 werden er vier molens geplaatst en in 1558 kwamen er nog twee molens bij. (1)

In de periode 1795 tot 1799 besluiten de waterschappen de Oosterdijk nogmaals te verhogen en te verbreden. Een deel van de akkers aan de dijk wordt afgegraven ten behoeve van het dijklichaam. Deze akkers zijn op dit moment bekend als zijnde verruigd en plastic badkuip varende bier- en sherryschippers kunnen deze akkers adopteren in ruil voor een vaarvergunning.

Vanaf het afgraven van deze akkers waren het rietlanden. Het riet van deze akkers werd gebruikt om op de andere akkers dienst te doen als windscherm bij bepaalde teelten. Ook voor het bewaren van uien werd het riet gebruikt om uienhopen te maken en het riet werd gebruikt voor de daken van de huizen en stolpboerderijen aan de Langedijk.

Ontginnen was niet het werk van een individu.

In Westfriesland hadden de graaf van West-Frisia en de bisschop van Utrecht de regie als het ging om het in ontginning nemen van veengebied. Vanaf het jaar 1000 vonden de ontginningen gecontroleerd plaats. De bisschop van Utrecht en de graaf van West-Frisia deden dit met toestemming van de Duitse koning. In enkele overgeleverde oorkonden valt te lezen dat zij gebieden in Frisia in bezit kregen. Tien procent van de in cultuur gebrachte gronden kwam toe aan de Duitse koning en tien procent werd eigendom van de bisschop. Deze gronden werden veelal in pacht uitgegeven en vormden zo een inkomstenbron voor zowel de koning als het bisdom.

De graven van West-Frisia hadden door schenkingen van de koning en soms van de bisschop veel gronden in bezit. Verder waren de gronden in bezit van vrije boeren en Abdijen. Er bestond in die tijd het recht om ongecultiveerd of onbeheerd land in ontginning en in bezit te nemen. Het was vaak een collectief van vrije boeren die een ontginning ter hand namen, veelal op basis van contract met de bisschop of de graaf. In het “Friese Schoutenrecht”, dat in de twaalfde eeuw werd opgesteld, werden richtlijnen nader vastgelegd voor het uitbreiden van het grondbezit.

Het Rijk der duizend eilanden

De kavels die in ontginning werden genomen waren over het algemeen 30 roedeen had een diepte van 6 of 12 voorling.Ter verduidelijking; 1 roede was 12 voeten. Een voet was 31,25 cm en de voorlingkwam overeen met 60 roeden en was de afstand die een ploeger aflegde voordat het span werd gewend. Een standaardperceel met een diepte van 6 voorlingkwam overeen met ruim 10 hectare, en dat was voor een gezin genoeg om van te leven. (2) Binnen het Geestmerambacht onderscheidde men volgen “De Oude Nederlandse maten en gewichten” geschreven door J.M. Verhoef en uitgegeven door het Meertensinstituut, voor Geestmerambacht binnensluis een roede van 3,545 mtr. en voor Geestmerambacht buitensluis een roede van 3,82 mtr.(3) De maat van de roede verschilde van plaats tot plaats van 7 tot 21 voeten.

Van een standaardperceel naar versnippering

In eerste instantie waren de percelen zo rond de tien hectare groot en groot genoeg voor een gezin. Echter door de afwatering van het veen zakten de percelen. Dat ging met een snelheid van 1 centimeter per jaar. Om de percelen toch op hoogte te houden werden de sloten uitgebaggerd en ook walkanten werden opgegraven om over het land verspreid te worden. Tot de zestiende eeuw was het vooral veeteelt dat op de percelen plaatsvond. Als er al groente (warmoes) werd verbouwd dan was dat voor eigen gebruik en dit werd vooral op de kopeinden van weilanden gedaan. Op de getekende landkaarten van rond 1600 is nog wel herkenbaar te zien dat kavels groter waren dan de eilandjes die je vandaag de dag in het Oosterdel aantreft.

Aan het inklinken van de grond komt nooit een eind en ook het slikken ging in Langedijk heel lang door. Het meeste werd er in Broek op Langedijk gebaggerd. Sloten werden breder, akkers werden smaller en korter. Men neemt ook aan dat Oosterdel, Zuiderdel en Heinkensdel zijn opgeslibd om percelen op hoogte te houden. Deze del- of pikgronden (4)waren over het algemeen heel kalkhoudend en zorgde dus voor een goede teellaag.

Lokale historici hebben wel eens beweerd dat bewoners uit Zuid-Scharwoude de Troft- of Trogtveert gebruikten om turf uit het Oosterdelgebied te halen voor de verwarming van hun huizen. Dat lijkt onwaarschijnlijk, want het Oosterdelgebied moet een heel moerassig/ laaggelegen venig gebied waar turfsteken onmogelijk zal zijn geweest. Turf zal men eerder hebben kunnen winnen op het hoger gelegen en bosrijke gebied rondom Zuid- en Noord-Scharwoude. Het is eerder aan te nemen dat de Troftveert een ontwateringsstroom is geweest die vanaf Noord- en Zuid-Scharwoude zuidwaarts meanderde door het gebied en via het Poddedel uitmondde in de Heerhugowaard. Zoals eerder al geschreven, wordt aangenomen dat Zuider-, Heinkens- en Oosterdel zijn ontstaan uit de behoefte aan opgebaggerde gronden om de akkers op hoogte te houden. De Troftveert moet een stroom zijn geweest met een redelijk flink verval en is er waarschijnlijk de oorzaak van dat het Poddedel daardoor dieper is dan het later handmatig ontstane Oosterdel. Als de Troftveert een ontwateringsstroom is geweest dan is het ook verklaarbaar dat Koogerkerk en de kerk aan de Kerklaan aan de oevers daarvan zijn gebouwd, omdat dat hoger gelegen plekken waren die goed werden ontwaterd. Het lijkt mij onlogisch dat ze, zoals Koomen omschrijft (3)op dijken zouden zijn gebouwd en dat deze dijken later zouden zijn verlegd tot de huidige dijk.  Dan zouden de Voor- en Achterburggracht ook verplaatst moeten zijn. Lijkt me eerder dat ze de kerken op natuurlijke verhogingen in het landschap hebben gebouwd ter bescherming tegen het water. Een dijk aanleggen was in die tijd geen kattenpis. Daar was mankracht voor nodig en je zult wat dat betreft realistisch moeten zijn, want zoveel mensen bewoonden de Langedijk in de tiende en elfde eeuw niet. Hoeveel mensen woonden er bijvoorbeeld in de dorpen en hoeveel mannen waren daarvan beschikbaar om dat werk uit te voeren? Je hebt tenslotte nogal wat handen nodig voor het aanleggen van een dijk.

Ik heb al eerder geschreven dat de Langedijk een tweeledige functie heeft gehad, namelijk van heirweg tussen Vronen en Oudkarspel en verder als ontsluiting op de Niedorper kogge, maar ook als waterkering op het water uit de Heerhugowaard. Het inwonertal van rond 1100 is niet bekend. Wel waren de ontginningen gedaan door vrije boeren. Mensen die ook vochten voor hun vrijheid als je de strijd van hen naleest tegen de graven van Holland die het gebied en bewoners in hun macht probeerden te krijgen. Eerste aantallen over bewoning zijn pas omschreven rond 1450 en Broek op Langedijk had toen ± 400 en Zuid-Scharwoude ± 470 inwoners. Hoeveel mensen zullen dat er 450 jaar eerder zijn geweest, vlak na het ontstaan van die dorpen? Ruim een eeuw later heeft Zuid-Scharwoude 500 inwoners, Noord-Scharwoude ± 400 en Oudkarspel ± 350 inwoners. (5)Ik ben van mening dat het daarom niet realistisch is om aan te nemen dat die mensen rond de tiende eeuw tussen de kerken van Zuid- en Noord-Scharwoude tijd hadden om naast de al bestaande dijk nog andere dijken te bouwen. Ze zullen ook voor eten hebben moeten zorgen voor hun gezinnen.

Tot slot.

Het is niet mijn bedoeling geweest om met de geschiedenis van de ruilverkaveling in het Geestmerambacht en haar ontstaansgeschiedenis volledig te zijn. Daar zou ik met deze korte artikelen de geschiedenis geweld mee aandoen. Ik heb slechts, in vogelvlucht, willen aangeven dat het jammer is dat een klein gebied in onze gemeente wordt beheerd door een aantal mensen die werkelijk niets weten over dat gebied. Sterker nog; de eigenaar van het gebied, Staatsbosbeheer, lijkt op geen enkele wijze eisen te stellen aan haar beheerder. Overal in Nederland stellen provincies eisen aan o.a. agrarische natuurbeheerders als het om subsidies gaat. Deze beheerders dienen allemaal gecertificeerd te zijn. Staatsbosbeheer stelt tot op heden totaal geen eisen aan Stichting Veldzorg Oosterdel. 

Tevens denk ik met deze informatie tegemoet te komen aan hen die Museum Broekerveiling bezoeken en dat bezoek afronden met een rondvaart waarin ze wordt verteld dat ze door het “Rijk der Duizend eilanden” varen. Blijkbaar zijn ze bij het museum niet helemaal op de hoogte of in ieder geval hebben ze cijfermatig de zaken niet echt op de rails. De rondvaart door het Oosterdelgebied gaat door een gebied dat niet groter is dan 80 hectare. Een splinter uit de stam van een 400-jarige beuk als je weet dat het werkelijke “Rijk der Duizend eilanden”, het gehele Geestemerambacht, een gebied was van ruim 4500 hectare groot.

De kans is groot dat het huidige bestuur van Stichting Veldzorg nooit verder is gekomen dan een rondvaart bij museum Broekerveilingen en varen ze blind op hun adviseur. Een man die als je hem hoort praten de uitvinder van de brandspuit was; nog net niet oprichter van de Broekerveiling, maar toch zeker wel degene die de eerst aangevoerde bloemkolen keurde en persoonlijk het Oosterdelgebied heeft ontgonnen.

Dat zal ook de reden zijn dat een jaar na de ‘ontdekking’ door Veldzorg van de Amerikaanse rivierkreeft in het Oosterdelgebied het stichtingsbestuur van Veldzorg niet meer heeft gedaan dan het aanstellen van een beroepsvisser. Vooraf hebben ze geen onderzoek gedaan naar de mate van aanwezigheid van die rivierkreeftjes. Daarmee hebben ze de kans laten lopen om straks aan te kunnen tonen dat door de inzet van die visser de aanwezigheid van die kreeftjes beheersbaar is geworden.

Verder wordt door toedoen van het Veldzorgbestuur de vaste visser binnen het gebied tekortgedaan, omdat de rivierkreeftvisser de paling die hij daarbij vangt als bijvangst mee mag nemen. Deze lokale visser zal wel, net als Staatsbosbeheer sinds 1980 de beroepstuinders behandelde, als hobby-vissertjeworden gezien.

De bestuurlijke hobbyboertjes van Veldzorg hebben nu hun zinnen gezet op de bouw van een weidemolen om twee of drie hectare van het 80 ha. grote gebied bewoonbaar te maken voor de grutto!! Het is voor het arme beestje te hopen dat men tot ver in de omgeving richtingbordjes zullen gaan plaatsen om de grutto naar dat kleine toegankelijke postzegeltje te leiden, want ik vraag me af of deze vogel zal gaan landen op een akker naast een druk bereden provinciale weg en aanpalend industrieterrein.

  1. Teunis 2016, pp 5. Van Otterplaat
  2. Nieuwenhuizen 2016, pp 130
  3. Broek op Langedijk meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen, St. COOG, pp.13
  4. Komen, Van Otterplaat tot Groensveldweid 2014, pp. 31
  5. Het Dorpsleven van de Langedijk, Vroeger en Nu, pp.21

Geef een reactie