U leest...

geen categorie

Stukjes verhalende theatergeschiedenis 1974 – 1998. Deel 22.

Op je bek gaan. 

Het reizen op zich, het langs de weg van de ene voorstellingsplaats naar de andere plaats gaan, werd eigenlijk in de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw door het toenemen van het verkeer steeds vervelender. Het invoeren van een maximumsnelheid op de Nederlandse snelwegen maakte het er niet makkelijker op. Als je gewend bent om ’s nachts met een snelheid van rond de honderdtachtig kilometer naar huis te rijden dan is honderd een slakkengang. Die honderdtachtig kilometer per uur lukte tijdens de ochtendspits zeker niet, maar tussen de 100 en 130 kilometer was toen zeker geen probleem zolang het verkeer niet stilstond. In de jaren zeventig lukte het nog wel makkelijk om tijdens een rit van Amsterdam naar het zuiden van het land genoeg tijd te hebben om onderweg nog even voor een kop koffie te stoppen, dat werd gedurende de jaren tachtig, door toenemende drukte op de wegen, bijna onmogelijk. In de tijd dat ik bij Toneelgroep Globe begon was de reistijd met de auto vanaf de Utrechtsebrug naar de Stadsschouwburg van Eindhoven een uur en een kwartier en dan konden we ook vaak nog een kop koffiedrinken in ‘De Lucht’ voor Den Bosch.

In de jaren tachtig kon het nog wel als je een deel van je nachtrust opofferde door ’s morgens eerder van huis te gaan, maar door meer drukte ’s nachts op de wegen was je vaak ook al later thuis en nachtrust is zelfs ook voor een inspicient belangrijk. De lol ging er bij mij daardoor wel af, maar het stond het plezier om een voorstelling op te bouwen niet in de weg. 

Het allermooiste deel van de opbouw vond plaats terwijl de trailer nog werd gelost. Er werd als inspicient een behoorlijk beroep gedaan op je improvisatietalent om keuzes te maken voor de wijze van opbouw. Hoe en waar zet je het decor neer, waar hang je het licht en wat doe je met de afstopping? Je moet op zo’n moment heel goed kijken of je de kap goed in kan delen om decorchangementen te kunnen doen. Dat de afstopping goed komt te hangen om het decor, de doeken en het licht in de trekken af te stoppen. Als het decor eenmaal staat en er zou nog iets in de kap moeten worden gewijzigd dan heb je een probleem omdat de trekken niet meer tot de grond kunnen. Je moet op zo’n moment zaken beslissen die ’s avonds ook voor spelers en dansers consequenties kunnen hebben wat betreft opkomsten en spacing*.  Nederland heeft ontzettend veel theaters en zalen die ze de naam theater hebben gegeven. Er is er niet één hetzelfde. Je had ’s avonds dus nog wel eens wat uit te leggen aan deze of gene om uit te leggen wat er die dag anders was dan normaal. ‘Deze of gene’ had trouwens zelf ook daarin een verantwoordelijkheid, want iedereen hoorde voor aanvang zijn spullen, opkomsten en spacing te hebben gecontroleerd. 

Het ‘aktreutel’, zoals leermeester Dick Heinz het acterende volk wel noemde, liet daarbij ook nog wel eens een steekje bij vallen en als dat gebeurde op een moment dat jezelf ook niet helemaal bij de les was dan liep je tijdens een voorstelling tegen verassingen op. 

Na mijn periode bij het toneel voelde ik me bij de dans het meeste thuis. Ik heb altijd grote bewondering gehad voor de inzet die dansers hebben bij het uitoefenen van hun vak en die bewondering groeide later ook uit voor de prestaties die zangers altijd weer moeten leveren. Dansers staan ’s morgens om tien uur al in de studio om zich op te warmen voor de les die ze gaan krijgen en zijn de rest van de dag bezig met repetities, waarna ze ’s avonds nog een optreden hebben. Zangers beginnen eigenlijk ’s morgens uit bed al om te horen of ze bij stem zijn en volgen gedurende dag eenzelfde stramien met hun stembanden als dansers met hun spieren. 

Toneel is in die tijd bij mij op het tweede, derde plan gekomen, omdat de kwaliteit van een toneelvoorstelling toen vaak per plaats waar men optrad nogal van kwaliteit wisselde. Ik heb trouwens de indruk dat die tijd voor het toneel niet te vergelijken is met die van nu, maar ik had het in die periode wel gehad met toneel. Een voorstelling in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag kon zomaar een kwartier langer duren dan dezelfde voorstelling in ‘De Klinker’ in Winschoten.

Vanaf 1980 begon ik voor de amateurtoneelschool in Amsterdam met het geven van een cursus theatertechniek en belichting. Ik gaf de cursus in een serie van 15 lessen van twee uur aan een heel gemêleerd gezelschap. De eerste twee jaar werden de cursussen gegeven in theater De Balie en daarna verhuisde de cursus naar de Amateurtheaterschool op de Overtoom. Eén van mijn cursisten was administrateur van de theaterproducent Carl Guttman. Karl Guttman was een bekend regisseur en tevens producent die eens in de zoveel tijd zijn eigen producties uitbracht. Op de een of andere manier heb ik me door die administrateur in 1984 laten verleiden om voor Guttman een toneelvoorstelling te gaan doen en dat was achteraf niet zo’n goede keuze. Ten eerste werd er verwacht dat de eerste inspicient zelf met de vrachtwagen de decors zou vervoeren en dat er verder maar plek was voor één tweede inspicient. Het was toen al gebruik dat je in een theater op niet meer hulp hoefde te rekenen dan het aantal mensen waar je zelf meekwam. Het decor was ontworpen en gebouwd door Chiel de Meij en daarbij was verder geen controle geweest of inspraak over de wijze waarop dat het beste had kunnen worden gebouwd. Ik kreeg het decor voor het eerst te zien toen ik het met de vrachtauto in Rotterdam ging ophalen. Het was een onvoorstelbare berg hout die ik meekreeg. Normaal als je om tien uur in een theater begon dan had je om twaalf uur, bij de lunch, het decor staan. Met “Memoires van een Benjamin” de productie van Guttman waren we vaak na de lunch nog ruim een uur bezig met bouwen voor we aan het licht konden beginnen. Omdat er een bovenetage in het decor zat had  Chiel de Meij een onderstel bedacht van jukken, gemaakt van 3 bij 4-en, die terplekke met bouten in elkaar moest worden gezet in plaats van inklapbare kooien. Daardoor was het decor ook bijna niet te tillen. Daarbij was het door alle losse stukken ook bijna niet van merken te voorzien zodat het voor de toneelmensen in de theaters niet duidelijk was wat waar met elkaar moest worden verbonden. 

Ten tweede was de voorstellingsplanning dusdanig dat er tussen de voorstellingsplaatsen vaak meer dan twee uur, vaak drie uur, moest worden gereden. Even tussendoor naar huis was niet mogelijk en overnachtingsgeld werd ons niet betaald. Gelukkig had de voorstelling een paar bedden en die lieten we tijdens het laden van de vrachtauto vaak achterop staan, zodat als we onderweg slaap kregen, we ergens een parkeerplek zochten, de achterklep lieten zakken en in de bak klommen om daar te gaan slapen. Het decor had op de etage twee slaapkamers die via een ook weer onmogelijk zware uitgevoerde trap naar boven waren te bereiken. Er was met de hoogte van het decor rekening gehouden met het feit dat we er ook mee in de Roestbak in Almere konden staan. Men had bedacht dat de deurvakken van de slaapkamers tussen het lichtgrid, krap tegen het plafond, konden staan. De wanden en met name de zijwanden had men veertig centimeter lager gehouden, zodat ze net onder de draagbalken van het plafond/dak bleven. Na een aantal werkweken van meer dan honderd uur per week belandden we met “Memoires van een Benjamin” in de Roestbak te Almere. Het toneel lag een etage boven straatniveau en het koste enorm veel tijd om al die decortroep en rekwisieten daarboven te krijgen. Ook het belichten was in de Roestbak een crime. Acteurs moesten erom denken dat ze op de bovenetage hun kop niet aan de schijnwerpers stootten en wat betreft de belichting was het allemaal zo plat als een dubbeltje. Kort en goed kwam het er die dag op neer dat we geen kans hadden gehad om te eten en tot vlak voor de voorstelling nog bezig waren. Vlak voor aanvangstijd waren we klaar. Er stond een handtafel in de lichtcabine, dus ik had geen standen hoeven maken en kon met de voorstelling mee schuiven. Daar zit je dan, terwijl het publiek de zaal in komt en de breedste en langste bezoeker voor het raam van je cabine plaats neemt. Er zijn van die dagen dat alles meezit. 

Het zaallicht uit en de eerste speelstand in voor het eerste bedrijf. Tegen het eind van het eerste bedrijf, vlak voor de pauze, moet de moeder in het stuk, Ina van Faassen, naar de slaapkamer boven om iets uit een slaapkamer op te halen. 

Terwijl zij de trap oploopt kijk ik eigenlijk voor het eerst vanuit mijn positie naar de deur in die slaapkamer en realiseer ik me pas dat hij wel mooi tussen het lichtgrid en onder het plafond staat, maar dat ik en blijkbaar ook Ina, niet hebben gecontroleerd of die deur ook werkelijk open kan. Op datzelfde moment word ik daarin door Ina van Faassen bevestigd. Ze kreeg haar hoofd nog niet eens om de hoek van de deur, want die stond bijna pal tegen een betonnen draagbalk aan. Dat was voor mij het moment om de pauze iets eerder te laten beginnen, fade out met licht en wachten tot acteurs af waren, pauze bordje en zaallicht aan. En daar kom je elkaar in de pauze in de kleedkamer dan tegen. We begonnen ons tegelijkertijd bij elkaar te verontschuldigen voor het feit dat we het niet hadden gecontroleerd. In de pauze hebben we voor de zekerheid de deuren erboven alvast maar uitgehaald, zodat er tijdens de rest van het stuk geen problemen meer zouden komen. 

Ik heb denk ik maar twee maanden met die voorstelling gereisd, het tijdsbesef ben ik erover kwijt. Op een dag hadden we voorstelling in het Casino in Den Bosch en ik voelde me al een poos niet in orde. Zweten, pijn op de borst, een linkerarm die niet lekker ging, kortom het was kut met peren. ’s Avonds terug via Amsterdam mijn collega Mark afgezet en door naar Broek op Langedijk. Ter hoogte van het pontje bij Akersloot op de Westdijk van de Schermer ging bij mij voor een deel het licht uit en raakte ik met de rechterwielen van de vrachtwagen van de weg. Gelukkig vlak voor een parkeerhaven waardoor mijn wielen het asfalt weer proefden en ik niet de dijk afreed, maar tot stilstand kwam. Hoelang ik daar gestaan heb, weet ik niet. Wel dat ik het idee had dat ik niet meer zolang op deze aardkloot te zoeken zou hebben. De gedachte echter om daar op de rand van de polder uit het leven te stappen trok me niet zo erg. Heb de auto weer gestart en ben langzaamaan toch naar huis gereden. 

Mijn toenmalige partner heeft de huisarts nog gehaald, maar tegen de tijd dat die er was lag ik lang en breed te slapen. 

“Laat maar weten wanneer hij weer wakker is, dan kom ik wel weer langs.” 

Hij had wel in de gaten dat het een kwestie was van veel, heel veel slaaptekort. De volgende dag is de vrachtauto opgehaald en twee dagen later heeft een vriend me in de personenauto naar Goes gereden waar ik mijn opvolger verteld heb hoe de voorstelling in elkaar zat. 

Professioneel is dat, behoudens een aantal locatieprojecten, mijn laatste toneelvoorstelling geweest die ik heb gedaan. Wat betreft toneel, kan ik zeggen dat ik het nog wel graag zie. 

Op de persoonlijke pagina van de Theater Encyclopedie treft u een heel overzicht van de tot nu toe gepubliceerde theaterverhalen zoals die hier op mijn blog zijn verschenen. De link hieronder geeft u direct toegang.

https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Martin_Wagenaar

Discussion

No comments yet.

Post a Comment

Archief